Richtlijn 2016/2341 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening is op 13 januari 2017 in werking getreden. Deze richtlijn wordt ook wel aangeduid als de IORP II-richtlijn (de afkorting “IORP” staat voor Institution for Occupational Retirement Provisions). In dit blog zijn de belangrijkste wijzigingen als gevolg van de richtlijn voor u op een rij gezet.

Implementatie van de IORP II-richtlijn

In de IORP II-richtlijn wordt onder andere de procedure rondom een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht van pensioenen verduidelijkt en aangescherpt. Ook bevat de richtlijn regels op het gebied van governance, zoals over risicobeheer, accounting, risico-evaluaties en verslaglegging.

Daarnaast geeft de richtlijn algemene regels ten aanzien van de informatieverstrekking aan (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden. Ten slotte bevat de richtlijn regels over het toezicht op pensioeninstellingen, zoals de doelstellingen van het toezicht, het toezichtproces en de informatie-uitwisseling tussen de toezichthouders en andere partijen.

De IORP II-richtlijn moet uiterlijk 13 januari 2019 zijn geïmplementeerd in Nederlandse wet- en regelgeving. Voor de implementatie is een wetsvoorstel opgesteld, dat op 18 oktober 2018 is aangenomen door de Tweede Kamer en op 18 december 2018 in de Eerste Kamer.

De implementatie van de richtlijn zal leiden tot wijzigingen in de Pensioenwet (Pw), de Wet verplichte beroepspensioenregeling (Wvb), de Wet op het financieel toezicht (Wft) en op deze wetten gebaseerde regelgeving.

Wat zijn de belangrijkste wijzigingen?

Pensioenuitvoerder verantwoordelijk voor communicatie aan deelnemers

Artikel 21 van de Pw bepaalt op dit moment dat een werknemer binnen drie maanden na de start van zijn deelname aan een pensioenregeling basisinformatie over zijn pensioen moet ontvangen. Hoewel deze informatie vrijwel altijd wordt verstuurd door de pensioenuitvoerder, is het de werkgever die ervoor verantwoordelijk is dat de deelnemer de informatie ook daadwerkelijk ontvangt. Dit wijzigt straks. In lijn met de IORP II-richtlijn komt de eindverantwoordelijkheid voor het informeren van de deelnemers bij de pensioenuitvoerder te liggen, en niet langer bij de werkgever. De werkgever dient de pensioenuitvoerder uiteraard wel op de hoogte te brengen van het feit dat hij met de betreffende werknemer een pensioenovereenkomst heeft gesloten.

Informatie op het Uniform Pensioenoverzicht wordt uitgebreid

Op grond van artikel 38 Pw en artikel 49 Wvb moet een pensioenuitvoerder jaarlijks informatie over de pensioenregeling aan de deelnemer verstrekken. Dit gebeurt door middel van het Uniform Pensioenoverzicht (UPO). Omdat de IORP II-richtlijn voorschrijft dat er aan de deelnemers méér informatie moet worden verstrekt dan op dit moment in het UPO is opgenomen, wordt de informatie op het UPO op onderdelen uitgebreid.

Zo moet het UPO vanaf 2019 ten aanzien van het ouderdomspensioen verschillende scenario’s bevatten: een optimistisch, een realistisch en een pessimistisch overzicht van de hoogte van het pensioen. Daarbij dient de deelnemer de waarschuwing te ontvangen dat deze scenario’s kunnen verschillen van de definitieve hoogte van het pensioen.

Overigens is de informatie over de te verwachten pensioenaanspraken op dit moment al beschikbaar, en wel via het pensioenregister (www.mijnpensioenoverzicht.nl). Hier staat voor iedere Nederlander een totaaloverzicht van de te verwachten pensioenaanspraken. Dit overzicht is niet alleen gebaseerd op bij werkgevers opgebouwd pensioen, maar ook op opgebouwde AOW-rechten.

Daarnaast dient het UPO te vermelden hoeveel premie de werkgever en de werknemer hebben betaald in het jaar waarop het UPO betrekking heeft. Daarnaast dient het UPO een overzicht te geven van de kosten die de pensioenuitvoerder heeft ingehouden. Dit laatste hoeft niet indien er sprake is van een uitkeringsovereenkomst (een middel- of eindloonregeling). In dat geval zijn de kosten namelijk niet van invloed op de hoogte van het pensioen.

Wijzigingen verstrekking UPO aan gewezen deelnemers

Indien een werknemer niet langer pensioen opbouwt bij de pensioenuitvoerder, is hij een gewezen deelnemer. Op dit moment moet een UPO eenmaal in de vijf jaar aan gewezen deelnemers worden verstrekt. De IORP II-richtlijn schrijft echter voor dat dit jaarlijks moet gebeuren. Dit zal leiden tot een lastenverzwaring voor pensioenuitvoerders. De wetgever heeft er daarom voor gekozen om pensioenuitvoerders de mogelijkheid te geven om informatie aan gewezen deelnemers op een website ter beschikking te stellen (waarbij de wetgever opmerkt dat het voor de hand ligt dit via een afgeschermd, persoonlijk gedeelte van de website van de pensioenuitvoerder te doen), mits de informatie daarnaast, zoals nu, ten minste eens per vijf jaar aan de gewezen deelnemer persoonlijk wordt verstrekt. Indien de pensioenuitvoerder niet de mogelijkheid heeft om de informatie op een website ter beschikking te stellen (of ervoor kiest daar geen gebruik van te maken), dient hij de gewezen deelnemers jaarlijks een UPO te verstrekken.

Communicatie over wijzigingen pensioenreglement aan gewezen deelnemers

Zowel de Pw als de Wvb bepalen straks dat de pensioenuitvoerder verplicht is gewezen deelnemers binnen drie maanden na een wijziging in het pensioenreglement te informeren over de wijzigingen en hen te wijzen op de mogelijkheid om het gewijzigde pensioenreglement op te vragen.

Verklaring beleggingsbeginselen

Met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel dient een pensioenuitvoerder de zogenaamde verklaring inzake de beleggingsbeginselen, waarin de uitgangspunten van het beleggingsbeleid van de pensioenuitvoerder zijn beschreven, voortaan integraal op het openbare gedeelte van zijn website te plaatsen.

Grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht

In het geval er sprake is van collectieve waardeoverdracht door een pensioenfonds of premiepensioeninstelling (ppi) naar een pensioeninstelling in een andere lidstaat, is daarvoor goedkeuring vereist van tweederde meerderheid van de deelnemers, gewezen deelnemers en een tweederde meerderheid van de pensioengerechtigden, die hebben gereageerd op een schriftelijk verzoek om de grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht goed te keuren. Het maakt daarbij niet uit hoeveel mensen uit de hiervoor genoemde groepen hebben gereageerd.

Daarmee verschillen straks de regels voor een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht met die voor een “binnenlandse” collectieve waardeoverdracht. Voor een dergelijke overdracht is (onder meer) vereist dat de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden geen bezwaar hebben gemaakt tegen de voorgenomen collectieve waardeoverdracht, nadat zij daarover zijn geïnformeerd.

De Raad van State concludeerde in zijn advies aan de Eerste Kamer van 28 november 2018 dat hiermee geen sprake is van een verboden onderscheid, noch van een ontoelaatbare beperking van de fundamentele rechtsbeginselen en vrijheden van het Unierecht.

Sleutelfuncties bij pensioenfondsen en ppi’s

De Pw en de Wvb schrijven straks expliciet voor dat pensioenfondsen en ppi’s over een risicobeheerfunctie en een interne auditfunctie moeten beschikken. Daarnaast moeten pensioenfondsen over een actuariële functie beschikken. De verdere uitwerking van de verschillende functies wordt neergelegd in het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen.

Veel pensioenfondsen en ppi’s kennen de hiervoor genoemde functies al, maar deze worden nu dus ook wettelijk verankerd.

DNB zal, als toezichthouder, op korte termijn nadere invulling geven aan de geschiktheidseisen van sleutelfuncties.

Meer weten?

Wilt u meer informatie over (de implementatie van) de IORP II-richtlijn, neemt u dan contact op met een van de leden van het Team Pensioen van Pels Rijcken.

Bronnen:

EU-richtlijn 2016/2341 van 14 december 2016

Implementatie EU-Richtlijn betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen (IBPV’s):

Share This