Zzp’ers. Ze zijn vaak in het nieuws en dat is niet voor niets: de wetgeving die hun positie regelt is aan veel verandering onderhevig. In het Regeerakkoord ‘Vertrouwen in de toekomst’ van 10 oktober 2017 heeft het Kabinet-Rutte III het voornemen geuit om de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA) te vervangen, die op haar beurt in de plaats kwam voor de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR). Het kabinet wil in plaats daarvan een opdrachtgeversverklaring introduceren. Wat zijn de verschillen met de VAR en de Wet DBA? En wat is de huidige stand van zaken?

Achtergrond: het zzp-kwalificatievraagstuk

Een persoon kan zowel werk verrichten op grond van een arbeidsovereenkomst, als op grond van een overeenkomst van opdracht. In het eerste geval is hij werknemer en in het tweede geval ondernemer/zzp’er. De benaming die partijen zelf aan hun arbeidsverhouding geven is niet relevant: een arbeidsrelatie kwalificeert automatisch als arbeidsovereenkomst als feitelijk aan de vereisten daarvoor is voldaan. Dat is kort gezegd het geval als sprake is van:

  • een gezagsverhouding tussen partijen;
  • de persoon loon ontvangt voor zijn werkzaamheden; en
  • deze persoon gehouden is de arbeid persoonlijk te verrichten.

Indien niet aan al deze elementen is voldaan, is sprake van een opdrachtrelatie. Maar waarom is het eigenlijk van belang of er sprake is van een opdracht of een arbeidsovereenkomst? Dat is vanwege het volgende. Alleen de werkgever is fiscaal gezien gehouden om loonbelasting en sociale premies in te houden en af te dragen aan de Belastingdienst. De opdrachtgever hoeft dat niet te doen. De opdrachtnemer betaalt wel omzetbelasting. Het is voor een opdrachtgever bij het inhuren van een opdrachtnemer dus van belang om te weten of hij te maken heeft met een zzp’er of met een werknemer. Maar hoe kan een ondernemer ten opzichte van de Belastingdienst aantonen dat hij daadwerkelijk een ondernemer/zzp’er en geen werknemer is?

Van de VAR…

Hiervoor bestond tussen 2005-2016 de VAR. De VAR kon opdrachtgevers op fiscaal terrein zekerheid verschaffen. De VAR werd op verzoek van de opdrachtnemer afgegeven door de Belastingdienst. Hiermee kon de opdrachtnemer bewijzen dat hij een zelfstandige was. De VAR was eenvoudig verkrijgbaar door het invullen van een vragenlijst. Een VAR-verklaring diende jaarlijks opnieuw te worden aangevraagd en kon door een zzp’er gemakkelijk voor verschillende (soorten) opdrachten worden gebruikt. Hoewel de VAR aanvankelijk enthousiast werd ontvangen, bleken er ook nadelen aan te kleven.

Eén van die nadelen was dat, als een opdrachtnemer toch een werknemer bleek te zijn, de pijn alleen bij hem en niet bij de opdrachtgever terecht kwam. De VAR had een vrijwarende werking. Dat betekende dat de Belastingdienst in beginsel alleen de opdrachtnemer een naheffing of boete op kon leggen. De opdrachtgever ging vrijuit, tenzij sprake was van fraude of kwade trouw en dat was bijna nooit het geval. Een ander pijnpunt was dat er amper werd gehandhaafd. Het aantal zzp’ers en het aantal VAR’s was zo hoog, dat de Belastingdienst onvoldoende capaciteit had om te handhaven.

… via de Wet DBA…

Op 1 mei 2016 is de Wet DBA in werking getreden. Deze wet had tot doel om schijnzelfstandigheid te bestrijden. Daarnaast werd beoogd om de handhaving te verbeteren. De vrijwarende werking van de VAR is komen te vervallen. De Belastingdienst kan op grond van de Wet DBA zowel de opdrachtgever als de opdrachtnemer aanspreken, als (achteraf) toch sprake van een arbeidsovereenkomst blijkt te zijn.

Hoe moest de Wet DBA hiervoor zorgen? Met de Wet DBA zijn modelovereenkomsten geïntroduceerd. Deze zijn gepubliceerd op de website van de Belastingdienst. Er zijn zowel algemene modelovereenkomsten, als modelovereenkomsten voor branches en beroepen. Daarnaast kunnen partijen een individuele overeenkomst voorleggen aan de Belastingdienst. Het gebruik van een modelovereenkomst is niet verplicht, bijvoorbeeld als partijen menen dat duidelijk géén sprake is van een dienstbetrekking.

De Wet DBA is vanaf dag één bekritiseerd. Grote onzekerheid bestond onder meer over de vraag wanneer sprake was van een gezagsverhouding en wanneer sprake was van persoonlijke arbeid. Deze onzekerheid had tot gevolg dat veel opdrachtgevers het zekere voor het onzekere namen en af wilden van zzp’ers. De angst voor naheffing was te groot. Anders dan met de VAR, konden immers nu ook opdrachtgevers door de Belastingdienst worden aangesproken. De zzp’ers werden hiervan de dupe. Gelet op de kritiek is de handhaving van de Wet DBA opgeschort tot 1 januari 2020. Dat betekent dat de Belastingdienst tot 1 januari 2020 geen boetes zal geven of naheffingen zal opleggen, tenzij sprake is van kwaadwillendheid.

… naar de opdrachtgeversverklaring

Het is dan ook niet verwonderlijk dat het Kabinet-Rutte III in het Regeerakkoord het plan heeft opgenomen om de Wet DBA te schrappen. Daarbij bestaat enerzijds de wens om degenen die bewust voor het zelfstandig ondernemerschap kiezen niks in de weg te leggen. Anderzijds bestaat de wens om de ‘onderkant’ van de arbeidsmarkt te beschermen. Hiermee worden de mensen bedoeld die vaak onverzekerd zijn en zonder alternatief zijn aangewezen op het zzp-schap. Hoe wil het kabinet dit gaan realiseren?

Dat leest u in mijn volgende blog: “De ZZP’er: de kabinetsplannen voor de introductie van een opdrachtgeversverklaring“.

Zie ook onze blogserie over het Regeerakkoord “Vertrouwen in de toekomst” en onze blogs over de Wet DBA.

 

Share This