In de rechtspraak komt regelmatig de vraag aan de orde of een werkgever een pensioenregeling eenzijdig mag wijzigen. Als geen eenzijdig wijzigingsbeding is overeengekomen, is daarvoor beslissend of de voorgestelde aangepaste pensioenregeling als een redelijk voorstel tot wijziging van de arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt en of aanvaarding daarvan van de werknemers kan worden gevergd. Maar wanneer is dat het geval?

Het Hof Arnhem-Leeuwarden zag zich recent voor de vraag gesteld of de door de werkgever aangeboden pensioenregeling bij pensioenverzekeraar Zwitserleven als een redelijk voorstel tot wijziging van de arbeidsovereenkomsten moest worden aangemerkt en of aanvaarding daarvan van de werknemers kon worden gevergd.

Wat was er aan de hand?

De werkgever in deze zaak was op grond van een ondernemings-cao vrijwillig aangesloten bij het pensioenfonds van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). De pensioenregeling bij het ABP betrof een middelloonregeling. Als gevolg van het faillissement van de enig aandeelhouder van de werkgever was een premieachterstand bij het ABP ontstaan van bijna een miljoen euro. De pensioenregeling kon alleen worden voortgezet bij het ABP indien de achterstallige pensioenpremies zouden worden betaald. Hiertoe was de werkgever niet in staat. Ter vervanging van de ABP-pensioenregeling stelde de werkgever daarom een nieuwe pensioenregeling bij pensioenverzekeraar Zwitserleven voor. Dit betrof een beschikbare premieregeling.

Vijf werknemers kwamen daartegen op. Zij waren allereerst van mening dat geen sprake was van dusdanige omstandigheden dat een wijziging van de pensioenregeling noodzakelijk was. Daarnaast stelden zij zich op het standpunt dat de nieuwe pensioenregeling geen redelijk alternatief was voor de oude pensioenregeling.

De uitspraak van het Hof

Het Hof oordeelde dat het voor de werkgever in redelijkheid niet mogelijk was voor de nieuwe pensioenregeling aansluiting te verkrijgen bij het ABP. Daarnaast overwoog het hof dat de werkgever zich had laten bijstaan door een pensioenadviseur en in overleg met zowel de ondernemingsraad als de vakbond FNV uitgebreid onderzoek had gedaan naar de reële mogelijkheden om een alternatieve pensioenvoorziening aan haar werknemers aan te bieden. Aangezien de werkgever uiteindelijk een pensioenvoorziening bij Zwitserleven aan de werknemers had aangeboden met instemming van de FNV en 90% van de werknemers, was het hof van oordeel dat de aangeboden pensioenregeling bij Zwitserleven als een redelijk voorstel tot wijziging van de arbeidsovereenkomsten moest worden aangemerkt en dat de aanvaarding daarvan in redelijkheid van de werknemers had kunnen worden gevergd.

Juridisch kader wijziging pensioenregeling

Als de werkgever niet beschikt over een eenzijdig wijzigingsbeding, kan de pensioenregeling alleen eenzijdig worden gewijzigd op grond van het goed werkgever- en goed werknemerschap als bedoeld in artikel 7:611 BW. Een wijziging op grond van dit artikel is slechts mogelijk indien:

  1. er sprake is van een dusdanige wijziging van omstandigheden dat een goed werkgever daarin aanleiding heeft kunnen zien tot het doen tot een voorstel tot wijziging van de regeling,
  2. dit een redelijk voorstel is en
  3. van de werknemer in redelijkheid mag worden verwacht dat hij dit accepteert.

Relevante factoren

Bij de beoordeling van deze zaak hecht het Hof veel waarde aan het feit dat de werkgever zorgvuldig heeft gehandeld door zich te laten adviseren door een pensioenadviseur, alsook door in overleg te treden met de ondernemingsraad en de vakbond. Dat de vakbond en 90% van de werknemers vervolgens hebben ingestemd met de wijziging, brengt het Hof tot het oordeel dat de voorgestelde pensioenwijziging in redelijkheid van de werknemers kon worden gevergd.

Eerdere rechtspraak

Deze uitspraak sluit aan bij eerdere rechtspraak, waaruit blijkt dat instemming door een (aanzienlijke) meerderheid van de werknemers met een wijzigingsvoorstel ter zake een pensioenregeling een argument kan zijn voor de redelijkheid van dit voorstel (bijv. Kantonrechter Nijmegen 30 juni 2006). Ook zonder die meerderheid kan een werkgever een zwaarwegend belang hebben bij versobering van zijn pensioenregeling, bijvoorbeeld als de versobering noodzakelijk is om het bedrijf financieel gezond te houden (bijv. Hoge Raad 6 september 2013 en Kantonrechter Amsterdam 25 maart 2016).

Conclusie voor de praktijk

Als een werkgever een pensioenregeling wil wijzigen moet hij goed kunnen onderbouwen waarom de wijziging noodzakelijk en redelijk is. De werkgever dient zorgvuldig te werk te gaan. Daarbij verdient het aanbeveling om de noodzaak en (on)mogelijkheden in kaart te laten brengen door een pensioenadviseur. Vervolgens is het goed om overleg te plegen met de ondernemingsraad en de vakbond(en). Als de ondernemingsraad, vakbond(en) en/of een groot deel van de werknemers akkoord is met de wijziging, is de kans groot dat de wijziging ook stand houdt bij een rechter.

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 16 augustus 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6570

Share This