Op 7 november 2018 heeft de Centrale Raad van Beroep een belangrijke uitspraak voor overheidswerkgevers gedaan. De Raad heeft een nieuw toetsingskader geïntroduceerd voor het beoordelen van de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid. In het nieuwe toetsingskader acht de Raad het voor de kwalificatie van verwijtbare werkloosheid niet langer van belang of de overheidswerkgever voortvarend heeft gehandeld. Deze nieuwe benadering van de Raad is in overeenstemming met het uitgangspunt van de wetgever dat niet de ontslagroute die de werkgever heeft gekozen, maar de reden voor de werkloosheid bepalend is.

In dit blog staan wij stil bij deze uitspraak van de Raad en de gevolgen daarvan voor de praktijk.

Het oude toetsingskader van de Raad

Artikel 24 van de Werkloosheidswet (WW) legt op de werknemer de verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Een werknemer is verwijtbaar werkloos wanneer aan zijn werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt. In zijn eerdere rechtspraak heeft de Raad geoordeeld dat bij de invulling van het begrip dringende reden ook werd gekeken naar de voortvarendheid waarmee de werkgever het dienstverband van de ambtenaar beëindigt. Daarmee maakte de Raad bij de beoordeling van de vraag of sprake was van verwijtbare werkloosheid een onderscheid tussen de zogenoemde objectief dringende reden en de subjectief dringende reden. Indien een werkgever onvoldoende voortvarend had gehandeld, ontbrak volgens de Raad de subjectief dringende reden en dat maakte dat de ambtenaar geen verwijt kon worden gemaakt van zijn werkloosheid.

Kritiek op het oude toetsingskader

In de literatuur bestond kritiek op deze ‘oude’ benadering van de Raad. Een precieze lezing van de artikelen in de Werkloosheidswet en het Burgerlijk Wetboek laat namelijk zien dat de onverwijldheidseis geen onderdeel uitmaakt van het begrip dringende reden. Met andere woorden, bij de beoordeling van de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid mag het ‘voortvarend handelen door de werkgever’ niet als voorwaarde worden gesteld. Onder verwijzing naar de literatuur, de wettelijke bepalingen en de rechtspraak van de Hoge Raad is de Centrale Raad van Beroep op 7 november 2018 geswitcht.

Het nieuwe toetsingskader van de Raad

In de uitspraak van 7 november 2018 heeft de Raad een nieuw toetsingskader vastgesteld. Met het nieuwe toetsingskader wordt beter geabstraheerd van de ontslagroute die de werkgever heeft gekozen. Het nieuwe toetsingskader ziet er als volgt uit.

Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van verwijtbare werkloosheid moeten alle feiten en omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, in aanmerking worden genomen. Tot die feiten en omstandigheden behoren:

  • de aard en ernst van de gedraging(en) van de werknemer;
  • de wijze waarop de werkgever in de specifieke situatie en in de specifieke werkrelatie het verweten gedrag beoordeelt;
  • de in dat verband voor de werknemer kenbare bedoeling van de werkgever;
  • de aard en duur van de dienstbetrekking;
  • de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld; en
  • de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die een beëindiging van het dienstverband voor hem zouden hebben.

Bij de afweging van alle feiten en omstandigheden is van belang dat ook wanneer de gevolgen van het ontslag voor de werknemer ingrijpend zijn, de aard en de ernst van de gedraging kunnen maken dat het ontslag toch gerechtvaardigd is.

Als laatste dient dan nog beoordeeld te worden of de werknemer van de dringende reden een verwijt kan worden gemaakt.

Gevolgen voor de praktijk

In de praktijk bracht het oude toetsingskader van de Raad de nodige onzekerheid mee voor eigenrisicodragers van de WW. Een strafontslag kon tot aan de Raad standhouden, maar als de Raad vervolgens in de WW-procedure oordeelde dat de werkgever onvoldoende voortvarend had gehandeld, droeg de werkgever alsnog de WW-kosten van het terecht gegeven strafontslag. Die onzekerheid heeft de Raad met het nieuwe toetsingskader weggenomen. Een bruikbare uitspraak voor de praktijk dus!

Bron: CRvB 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3469

 

you're currently offline

Share This