Een groot aantal werkgevers in Nederland is verplicht al haar werknemers aan te melden bij een door de wet verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds. Indien blijkt dat de werkgever ten onrechte niet is aangesloten bij zo’n verplicht gesteld fonds, is het fonds bevoegd met terugwerkende kracht de pensioenpremies te vorderen. Dat kan tot grote (financiële) problemen leiden bij de werkgever. Wanneer is eigenlijk sprake van een verplichte deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds? Welke gevolgen kan de verplichtstelling voor de werkgever hebben?

Verplichte deelneming afhankelijk van de werkingssfeer

Deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds volgt uit de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000. Of in een concreet geval sprake is van deelneming aan een bedrijfstakpensioenfonds is afhankelijk van de zogenaamde ‘werkingssfeer’ waartoe het bedrijfstakpensioenfonds zich uitstrekt, welke is opgenomen in het toepasselijke verplichtstellingsbesluit. De werkingssfeer omschrijft enerzijds de bedrijfsactiviteiten, die behoren tot de bedrijfstak waarvoor het fonds is opgericht en anderzijds wie als deelnemer aan het fonds wordt aangemerkt. Uit de omschrijving van de werkingssfeer moeten werkgevers en werknemers objectief kunnen opmaken of zij al dan niet onder het bedrijfstakpensioenfonds vallen.

De werkingssfeer is niet altijd even duidelijk geformuleerd. Voor een werkgever kan het dan ook lastig zijn om te bepalen of hij daadwerkelijk onder een verplichtstelling valt (en dus premies aan het bedrijfstakpensioenfonds moet afdragen). Dat dit met regelmaat tot discussies leidt, blijkt maar weer uit de zaak waarover de Rechtbank Midden-Nederland op 23 augustus 2017 uitspraak heeft gedaan (zie over discussies over de reikwijdte van de werkingssfeer ook mijn eerdere blog: Verplichte deelneming in bedrijfstakpensioenfonds: de uitleg van het ‘in hoofdzaak-criterium’).

Discussie over de reikwijdte van de verplichtstelling

In die zaak verschilden de werkgeefster en het bedrijfstakpensioenfonds Zorg en Welzijn van mening over de vraag of (de activiteiten van) de werkgeefster onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit voor Kunstzinnige vorming viel. Het bedrijfstakpensioenfonds meende van wel omdat de activiteiten van de werkgeefster bestonden uit het leveren van een bijdrage aan de kunstzinnige (beeldende) vorming. De werkgeefster daarentegen meende dat uitsluitend instellingen die zich in overwegende mate bezighouden met praktisch vormingsonderwijs onder de verplichtstelling vielen. De werkgeefster voerde aan dat een belangrijk deel van haar activiteiten zich afspeelde op het terrein van erfgoededucatie. Omdat zij zich nu juist niet in overwegende mate bezighield met praktisch vormingsonderwijs viel zij naar haar zeggen niet onder de verplichtstelling.

De kantonrechter oordeelde dat de werkgeefster een te beperkte uitleg gaf aan het begrip ‘beeldende vorming’. De uitleg van de werkgeefster volgde niet uit de taalkundige betekenis van het begrip. De kantonrechter overweegt dat voor de uitleg van een bepaling in een verplichtstellingsbesluit in beginsel de bewoordingen daarvan en eventueel de daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van het verplichtstellingsbesluit, van doorslaggevende betekenis zijn. Deze uitleg staat bekend als de ‘CAO-norm’ (zie over de CAO-norm ook de blog van mijn kantoorgenoot Ruben van Arkel, Eindloonregeling: Is het laatstverdiende loon leidend?).

Activiteiten vallen onder de verplichtstelling

Maakt het enkele feit dat de werkgeefster het produceren niet als belangrijkste doel stelde nu dat haar activiteiten niet onder beeldende vorming in de zin van het verplichtstellingsbesluit vielen? Nee, oordeelde de kantonrechter. Terecht wees het pensioenfonds erop dat dit namelijk zou betekenen dat een werkgever in de kunstzinnige vorming die schilderlessen aanbiedt wél onder het verplichtstellingsbesluit zou vallen, maar een werkgever in de kunstzinnige vorming die schilderlessen bijvoorbeeld combineert met theorie over een bepaalde stroming schilders niet. Deze uitleg vindt geen steun in de tekst van het verplichtstellingsbesluit waar gesproken wordt over onder meer cursussen op het terrein van beeldende vorming. Conclusie: de werkgeefster was verplicht aangesloten bij het bedrijfstakpensioenfonds.

(Financiële) gevolgen van een verplichtstelling

De (financiële) gevolgen van het ten onrechte niet deelnemen aan een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds kunnen vergaand zijn. Wij hebben al vaker de situatie meegemaakt dat een werkgever die een eigen pensioenregeling toepaste, er achter kwam dat hij onder de werkingssfeer van een  bedrijfstakpensioenfonds viel. Die werkgever wordt geconfronteerd met de toepasselijkheid van twee verschillende pensioenregelingen. Nog los van de onvoorziene premielast die daarmee gemoeid is – het bedrijfstakpensioenfonds kan van een ondernemer met terugwerkende kracht tot vijf jaar pensioenpremie vorderen wegens verplichte deelname –, kunnen er forse fiscale problemen voor de werkgever ontstaan.

Werkgevers opgelet!

Kortom, werkgevers doen er verstandig aan niet het moment af te wachten waarop ze worden aangeschreven door een bedrijfstakpensioenfonds, maar zelf actief vast te stellen of sprake is van een verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds. Op grond van de wet heeft de werkgever op dit punt zelfs een onderzoeksplicht. In het bijzonder bij het opstarten van een onderneming, bij een fusie, een overname of bij een wijziging van de bedrijfsactiviteiten is het verstandig hier onderzoek naar te doen. Ook in de situatie dat een werkgever reeds onder een verplicht gestelde pensioenregeling valt, kan het lonen om te onderzoeken of die verplichting nog steeds geldt. Het kan namelijk financieel gewin opleveren door de aansluiting bij een pensioenfonds ongedaan te maken en de pensioenregeling bij een verzekeraar onder te brengen.

Of een werkgever al dan niet verplicht is aangesloten bij een bedrijfstakpensioenfonds hangt ervan af of de feitelijke bedrijfsactiviteiten van de werkgever onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit vallen. Dat dit niet altijd makkelijk is te bepalen, blijkt maar weer uit de uitspraak zoals in dit blog besproken.

Bron: Rechtbank Midden-Nederland 23 augustus 2017, ECLI:NL:RBMNE:2017:4177

Zie ook de blogs:

Share This