Het komt regelmatig voor dat overheidswerkgever en ambtenaar de voorwaarden van ontslag onderling proberen te regelen. Als partijen er uitkomen zullen de voorwaarden worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.

De ambtelijke aanstelling is eenzijdig, waardoor het ontslag met een besluit volgend op de vaststellingsovereenkomst wordt geëffectueerd. Wat voor karakter heeft een dergelijke vaststellingsovereenkomst? En kan je de rechtmatigheid van het ontslagbesluit vervolgens laten toetsen? Deze vragen kwamen aan bod in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 12 september 2019.

 

Feiten

De uitspraak van 12 september 2019 draaide om een ambtenaar die werkzaam was bij de Belastingdienst. De ambtenaar was op 18 februari 2014 strafontslag verleend. Na een mediationtraject hebben partijen eind 2014 een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarin onder meer was afgesproken dat de ambtenaar ontslag zou worden verleend op grond van disfunctioneren en dat de ambtenaar zijn bezwaar tegen het strafontslag zou intrekken.

De ambtenaar heeft op enig moment informatie opgevraagd en gekregen op grond van de Wet openbaarheid van bestuur. Naar aanleiding van deze nieuw verkregen informatie heeft de ambtenaar in 2016 de staatssecretaris van Financiën verzocht de vaststellingsovereenkomst en het ontslagbesluit opnieuw te bezien wegens dwaling en nieuwe feiten of omstandigheden (artikel 4:6 Awb). Deze verzoeken zijn afgewezen, hetgeen standhield in bezwaar en beroep.

 

Normalisering

Vanaf 1 januari 2020 wordt het merendeel van de ambtenaren ‘genormaliseerd’. Voor de genormaliseerde ambtenaren hoeft er dan geen eenzijdig ontslagbesluit meer te worden genomen ter effectuering van de afspraken in de vaststellingsovereenkomst. Het juridisch kader zoals ik hierna uiteen zal zetten, geldt voor de vaststellingsovereenkomst als zodanig, is relevant voor werknemers en is daarmee ook relevant voor de genormaliseerde ambtenaren.

 

Vaststellingsovereenkomst en dwaling

De vaststellingsovereenkomst is neergelegd in artikel 7:900, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek. In de vaststellingsovereenkomst leggen partijen afspraken vast ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil. De vaststellingsovereenkomst vormt een bindende vaststelling van hetgeen rechtens tussen partijen geldt.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) worden afspraken in een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van een arbeidsverhouding aangemerkt als een nadere regeling van de uitoefening van de aan het bestuursorgaan toekomende ontslagbevoegdheid. Zowel het bestuursorgaan als de ambtenaar zijn op grond van het rechtszekerheidsbeginsel aan een dergelijke ontslagregeling gebonden. Hier bestaan wel uitzonderingen op, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van wilsgebreken zoals dwaling of als zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat volledige nakoming van de afspraken niet (meer) in redelijkheid kan worden verlangd (zie in dit verband de uitspraak van de Raad van 13 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT8812).

In lijn met de rechtspraak van de Hoge Raad heeft de Raad overwogen dat de omstandigheid dat partijen met betrekking tot een bepaalde kwestie in onzekerheid verkeren en te dien aanzien een vaststellingsovereenkomst sluiten, een geslaagd beroep op dwaling ten aanzien van die overeenkomst niet uitsluit.

Er is sprake van dwaling wanneer een partij een overeenkomst niet was aangegaan wanneer hij de juiste voorstelling van zaken had gehad. In dat geval is de overeenkomst vernietigbaar wanneer: 1) de dwaling te wijten is aan verkeerde inlichtingen van de wederpartij; 2) de wederpartij de dwalende partij niet juist heeft ingelicht over zaken die hij wist dan wel behoorde te weten; of 3) als beide partijen dezelfde onjuiste voorstelling van zaken hadden bij het aangaan van de overeenkomst. Dwaling wordt niet snel aangenomen.

 

Uitspraak

In de uitspraak van 12 september 2019 overwoog de Raad dat er geen sprake was van dwaling, nu niet is gebleken dat de ambtenaar onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken de overeenkomst is aangegaan. Uit de uitspraak is niet af te leiden op welke van de drie dwalingsgronden de ambtenaar zich beriep. De ambtenaar heeft in de procedure betoogd dat hij de vaststellingsovereenkomst had gesloten omdat hij er ten onrechte vanuit was gegaan dat hij niet kon bewijzen dat het strafontslag en het plichtsverzuim onterecht waren geweest. Volgens de Raad heeft de ambtenaar er desalniettemin bewust voor gekozen om het bestaande geschil te beëindigen met een overeenkomst. Door deze keuze heeft de ambtenaar zichzelf de mogelijkheid ontnomen om het ontslagbesluit ter toetsing aan de bestuursrechter voor te leggen en zekerheid te verkrijgen over de rechtmatigheid ervan. Ook is de Raad niet gebleken dat er sprake was van zodanige bijzondere omstandigheden dat volledige nakoming van de afspraken niet (meer) in redelijkheid kon worden verlangd.

 

Wat betekent dit?

De vaststellingsovereenkomst is een goede manier om een geschil of toekomstig geschil definitief te beëindigen. Indien de vaststellingsovereenkomst ziet op ontslag van een ambtenaar, zal dit ontslag worden geëffectueerd met een ontslagbesluit. Zoals uit de besproken uitspraak blijkt, kan de onrechtmatigheid van dit ontslagbesluit op zichzelf niet meer aan de bestuursrechter worden voorgelegd tenzij de vaststellingsovereenkomst zogenoemd wordt ‘opengebroken’ bijvoorbeeld door middel van een geslaagd beroep op dwaling. Het openbreken van een vaststellingsovereenkomst is een juridische uitdaging en komt weinig voor.

Het is dus voor alle partijen bij een vaststellingsovereenkomst van belang om zich goed te laten informeren en te laten adviseren voordat een vaststellingovereenkomst wordt gesloten. Als de vaststellingsovereenkomst eenmaal is gesloten, moet je van goeden huize komen om deze nog open te breken.

Bronnen:

Share This