Als werknemers (rechtmatig) staken mag dit geen lagere werkloosheidsuitkering (WW-uitkering) opleveren. Het meetellen van de stakingsdagen als dagloondagen zonder daar (vervangend) loon tegenover te stellen bij de berekening van het dagloon in de zin van de WW, levert een indirecte beperking op van het stakingsrecht, aldus de Centrale Raad van Beroep.

De feiten en het geschil

In de uitspraak van de Centrale Raad kwam het volgende aan de orde.

Een vangrailproducent wilde het productieproces verplaatsen. Werknemers staakten om dit te voorkomen. Niettemin werd de verplaatsing van het productieproces voortgezet en de werknemers verloren hun baan. Zij vroegen daarop een WW-uitkering aan bij het UWV. Bij de berekening door het UWV werden de dagen die de werknemers hadden gestaakt meegerekend bij hun dagloon, terwijl zij op die dagen geen loon hebben ontvangen. Hierdoor viel de WW-uitkering voor de betreffende werknemers lager uit.

De werknemers en het UWV  troffen elkaar na het doorlopen van de bezwaar- en beroepsprocedures bij de Raad.

De werknemers stelden zich in hoger beroep op het standpunt dat er sprake was van een te vergaande beperking van het stakingsrecht. Het UWV daarentegen stelde zich op het standpunt dat er geen sprake was van beperking van het stakingsrecht.

Intermezzo: Hoe zat het ook al weer met een WW-uitkering?

Om recht op een WW-uitkering te hebben, moet een verzekerde werknemer aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • Er is sprake van werkloosheid:
    • een verlies van minimaal 5 arbeidsuren of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per week waarover geen recht meer op loon bestaat;
    • De werknemer is beschikbaar voor het aanvaarden van betaalde arbeid;
  • Er is voldaan aan de weken-eis (ofwel de referte-eis): de werknemer heeft in de laatste 36 weken minstens 26 weken gewerkt;
  • Er is geen sprake van een uitsluitingsgrond en de werknemer is niet door zijn eigen schuld werkloos geworden.

Indien de werknemer voldoet aan de voorwaarden, ontstaat een recht op uitkering voor de duur van in ieder geval drie maanden.

Dagloon

De WW-uitkering wordt berekend naar het dagloon. Er wordt ook gekeken naar het zogenaamde SV-loon. Dit is het loon waarover premies sociale verzekeringen betaald zijn. De hoogte van de WW-uitkering bedraagt gedurende de eerste twee maanden 75% van het (gemaximeerde) dagloon. Vanaf de derde maand geldt een uitkeringspercentage van 70%. Op grond van (de toelichting bij) het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen is de werkgever in het geval dat een werknemer staakt, in beginsel niet verplicht om het loon door te betalen.

Het oordeel van de Raad

Volgens de Raad is er sprake van een indirecte beperking van het stakingsrecht doordat een lager dagloon wordt vastgesteld – resulterend in een lagere WW‑uitkering – omdat werknemers hebben deelgenomen aan een rechtmatige staking. Door dit verlagende effect zullen werknemers er mogelijk van worden weerhouden deel te nemen aan een staking uit vrees dat dit van invloed kan zijn op een uitkering in de toekomst. De financiële druk die hiervan uitgaat, is naar het oordeel van de Raad in strijd met de strekking van artikel 6, aanhef en vierde lid, van het Europees Sociaal Handvest (ESH), namelijk het waarborgen van de doeltreffende uitoefening van het recht op collectief onderhandelen.

De Raad oordeelt daarnaast dat niet gesteld of gebleken is van omstandigheden die de beperking van het stakingsrecht kunnen rechtvaardigen.

Uit de uitspraak volgt dat het meetellen van de stakingsdagen als dagloondagen zonder daar (vervangend) loon tegenover te stellen bij de berekening van het dagloon in strijd is met het stakingsrecht.

Grondrecht

Zoals eerder in de blog van 18 augustus 2016 van Ruben van Arkel aan de orde is gekomen is het recht om collectief actie te voeren (bijvoorbeeld in de vorm van een staking) een grondrecht dat is vastgelegd in artikel 6 aanhef en onder 4 van het ESH. Dit grondrecht mag niet snel worden beperkt. Uit artikel G van het ESH volgt dat inperkingen op het stakingsrecht slechts aan de orde kunnen zijn indien die beperkingen maatschappelijk gezien dringend noodzakelijk zijn.

Tot slot

In deze uitspraak wordt nog eens bevestigd dat een beperking van het stakingsrecht niet snel toelaatbaar is. Een verlaging van de WW-uitkering is een dergelijke beperking.

De Raad oordeelde in een eerdere uitspraak al eens over het niet verkrijgen van een recht op een WW-uitkering door het toepassen van de uit de WW voortvloeiende weken-eis. In dit geval ging het om een rechtmatige staking van 10 weken kort voor de eerste werkloosheidsdag. Indien de dagen van staking niet werden meegeteld, zou de werknemer niet voldoen aan de weken-eis. De Raad oordeelde in die uitspraak kort gezegd dat de wekeneis niet aan de werknemer mocht worden tegengeworpen, omdat in dat geval de tegenwerping van de wekeneis een indirecte beperking van het stakingsrecht zou betekenen. De Raad kwam tot dit oordeel op basis van (vrijwel) gelijke overwegingen als in de uitspraak van 5 april 2017.

Met laatstgenoemde uitspraak is nu uitgemaakt dat staken ook geen verlaging van de WW-uitkering tot gevolg mag hebben.

Bron

Centrale Raad van Beroep 5 april 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1180
Zie ook het persbericht bij de uitspraak van de Raad van 5 april 2017: Staken mag geen gevolgen hebben voor de hoogte van de WW-uitkering

Share This