Stel: een ambtenaar wordt ontslagen door zijn werkgever omdat de werkgever denkt dat hij een stereotoren heeft gestolen. Het ontslag houdt geen stand, want er is onvoldoende komen vast te staan dat het de ambtenaar in kwestie was die de stereotoren heeft weggenomen. De ambtenaar vraagt een immateriële schadevergoeding van € 10.000,-. Heeft hij daar recht op?

Wat was er gebeurd?

Het overkwam een ambtenaar die als beveiliger werkte bij het Ministerie van Algemene Zaken. Hij kreeg strafontslag omdat hij een stereotoren zou hebben weggenomen uit een chauffeurskamer van het ministerie, de werkplek waar hij op dat moment werkzaam was.

Ook werd aan het ontslag ten grondslag gelegd dat hij valse, althans onsamenhangende verklaringen had afgelegd.

De ambtenaar stelde beroep in tegen het ontslagbesluit en verzocht de rechtbank om toekenning van een immateriële schadevergoeding van € 10.000,= als gevolg van het ontslagbesluit. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, omdat onvoldoende is komen vast te staan dat (i) de ambtenaar degene is die de stereotoren heeft weggenomen en dat (ii) de ambtenaar opzettelijk valse verklaringen heeft afgelegd. Alléén de omstandigheid dat hij een onsamenhangende verklaring heeft afgelegd, is onvoldoende om strafontslag te kunnen geven. Dat betekent niet dat de ambtenaar schadevergoeding krijgt: dat verzoek wijst de rechtbank af.

De ambtenaar stelt hoger beroep in. Heeft de rechtbank dit verzoek om immateriële schadevergoeding als gevolg van het ontslagbesluit terecht afgewezen?

CRvB: geen immateriële schadevergoeding

In het algemeen geldt dat als een strafontslag wordt vernietigd, het vast staat dat de werkgever tegenover de ambtenaar een onrechtmatige daad heeft gepleegd. De schuld van de werkgever is dan in beginsel gegeven. De werkgever heeft de verplichting om aan de ambtenaar de schade te vergoeden, die het gevolg is van die onrechtmatige daad. De schade moet vervolgens door de ambtenaar aannemelijk worden gemaakt.

Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dat een vernietigd of herroepen ontslagbesluit in beginsel geen aanspraak geeft op een immateriële schadevergoeding. Daarvoor is meer nodig.

De beoordeling of immateriële schade voor vergoeding in aanmerking komt, wordt door de Centrale Raad gelegd langs de lat van artikel 6:106, eerste lid, onder b BW. Dat artikel bepaalt dat schade moet worden vergoed als iemand in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Daarvan is echter niet snel sprake. Het moet gaan om ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer of op andere persoonlijkheidsrechten. Bij een onrechtmatig besluit, zo oordeelt de Raad regelmatig zal er in de regel wel sprake zijn van meer of minder sterk psychisch onbehagen en van een zich gekwetst voelen bij een betrokkene. Dat is echter niet genoeg om te spreken van een aantasting in de persoon.

Ook de valselijk beschuldigde ambtenaar krijgt nul op het rekest. De Raad acht het aannemelijk dat de ambtenaar mentaal is geraakt, doordat hem zonder toereikend bewijs is verweten dat hij een stereotoren had weggenomen, met als gevolg dat hem ontslag is verleend, hij geen uitkering ontving en hij geen contact met collega’s mocht onderhouden. Het onrechtmatige ontslag en de gevolgen die dat heeft meegebracht, kunnen er echter op zich genomen niet toe leiden dat er sprake is van aantasting van de persoon die recht geeft op schadevergoeding.

De ambtenaar heeft naar het oordeel van de Raad voorts niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een relevante aantasting van zijn eer en goede naam als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b BW. Voor zover van een aantasting sprake is, is in de uitspraak van de rechtbank waarbij het besluit tot strafontslag is herroepen voldoende genoegdoening gelegen om het geleden nadeel te compenseren. Het verzoek om immateriële schadevergoeding is derhalve terecht afgewezen.

Wanneer wél recht op immateriële schadevergoeding?

Een voorbeeld vormt een uitspraak waarin de werkgever aan een ambtenaar ten onrechte re-integratieverplichtingen had opgelegd. Volgens een expertiserapport van een psychiater was de ambtenaar ‘sterk verlaagd medisch belastbaar’. Zijn werkgever kende dat rapport, maar had de ambtenaar desondanks opgedragen dat hij tweewekelijks telefonisch contact op moest nemen met zijn casemanager. Dat had vervolgens geestelijk leed veroorzaakt. Dat werd door de ambtenaar bovendien onderbouwd met een medisch rapport. De Raad oordeelde dat het geestelijk leed als een aantasting van de persoon moest worden aangemerkt en veroordeelde de werkgever tot betaling van € 2.500,- aan immateriële schade.

Een andere kwestie die leidde tot toekenning van een bedrag aan immateriële schadevergoeding betrof de volgende. Een organisatieadviseur had een ‘quick scan’ verricht naar samenwerkingsproblemen binnen een afdeling van de gemeente Zevenaar. In het tot stand gekomen rapport werden ook opmerkingen gemaakt over individuele ambtenaren. Tijdens de presentatie van dit rapport werden de negatieve conclusies over één specifieke ambtenaar sterk benadrukt en werd hij ‘heftig en persoonlijk’ aangevallen ten overstaan van zijn collega’s. Het rapport werd bovendien binnen en buiten de organisatie bekend en in de media werd er uitgebreid aandacht aan besteed. De Raad acht het aannemelijk dat dit alles heeft geleid tot aantasting van de eer en goede naam van de ambtenaar, en veroordeelt diens werkgever tot betaling van een – nog te begroten – bedrag aan immateriële schade.

Kortom

Een vernietigd ontslagbesluit levert op zichzelf onvoldoende grond op voor toekenning van een immateriële schadevergoeding aan de ambtenaar. Daar is meer voor nodig. Als de ambtenaar zijn geestelijk leed – het liefst met een medisch rapport – kan onderbouwen, kan er echter wel recht bestaan op schadevergoeding.

Bron: CRvB 24 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1060

Share This