De Hoge Raad heeft op 22 juni 2018 een arrest gewezen over de vraag of een sociaal plan met daarin een “vrijwilligers- en een plaatsmakersregeling” kwalificeert als een Regeling Vervroegde Uittreding (RVU). Een RVU is – kort gezegd – een regeling die tot doel heeft om te voorzien in een financiële overbrugging tussen het moment van uitdiensttreding van de werknemer en zijn pensioen. Als sprake is van een RVU, heeft dit een strafheffing van 52% over het uitbetaalde bedrag tot gevolg. Het hof Den Bosch had in dezelfde zaak geoordeeld dat er geen sprake was van een RVU. De Hoge Raad laat dit oordeel in stand, en geeft meer duidelijkheid over welke criteria relevant zijn voor de beoordeling van een RVU.

Wat speelde er ook alweer?

De werkgever had in 2013 een reorganisatie doorgevoerd, waarvoor hij met de bonden een sociaal plan had afgesloten. Het sociaal plan voorzag in een zogenaamde “vrijwilligers- en plaatsmakersregeling”. Of werknemers voor deze regeling in aanmerking kwamen, was – mits aan bepaalde voorwaarden was voldaan  – volledig ter vrije beoordeling van de werkgever. Werknemers die in aanmerking kwamen voor de vrijwilligers- en plaatsmakersregeling ontvingen bij het einde van hun dienstverband een vergoeding berekend conform de kantonrechtersformule. De vergoeding was gemaximeerd op het te verdienen inkomen tot de pensioendatum.

Oordeel hof Den Bosch

Het hof Den Bosch oordeelde eerder al dat geen sprake was van een RVU. De vrijwillig vertrekregeling in het sociaal plan hield volgens het hof geen verband met de leeftijd van de werknemer en de kantonrechtersformule was (in ieder geval destijds) in overeenstemming  met arbeidsrechtelijk aanvaardbare beginselen voor het bepalen van een vertrekvergoeding bij ontslag van een werknemer als overbrugging naar een volgende baan. Bij de vraag of sprake is van een RVU is relevant of de uitkeringen of verstrekkingen dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (voormalig) werknemer tot aan de pensioendatum, aldus het hof. Het hof voegde daaraan toe dat de “objectieve kenmerken en voorwaarden van de Regeling en de feitelijke invulling daarvan” leidend zijn. Over het arrest van het hof Den Bosch schreef ik eerder dit blog.

Cassatiemiddel

De Staatssecretaris van Financiën kon zich in dit oordeel van het hof niet vinden, en voerde in cassatie aan dat het hof terecht had geoordeeld dat de objectieve kenmerken en voorwaarden van de regeling en de feitelijke invulling daarvan leidend zijn, maar had miskend dat het doel van de regeling kenbaar wordt door de (feitelijke) werking ervan.

Hoewel dit niet uit de uitspraak zelf volgt, blijkt uit de conclusie van de A-G dat in totaal 86 werknemers gebruik hebben gemaakt van de vrijwillig vertrekregeling. Daarvan kwamen er 72 uit het hoogste leeftijdscohort, 55 tot en met 64 jaar. Het grootste deel van de werknemers die gebruik hadden gemaakt van de vrijwillig vertrekregeling waren dus oudere werknemers.

Het hof had volgens de Staatssecretaris doorslaggevende betekenis moeten toekennen aan het feit dat er vooral oudere werknemers waren uitgestroomd en aan de hoogte van de beëindigingsvergoedingen die deze werknemers hadden ontvangen (te weten hetzelfde salaris als wanneer zij tot hun pensioen hadden gewerkt).

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad volgt de Staatsecretaris niet. Hij overweegt als volgt:

“Bij beantwoording van de vraag of sprake is van een RVU is bepalend of de uitkeringen of verstrekkingen bedoeld zijn om te dienen ter overbrugging of aanvulling van het inkomen van de (gewezen) werknemer tot de pensioendatum. De beweegredenen van de inhoudingsplichtige [de werkgever] om zodanige uitkeringen of verstrekkingen aan te bieden doen in dit verband niet ter zake (zie Hoge Raad 13 mei 2016, nr. 15/01185, ECLI:NL:HR:2016:827, BNB 2016/169, onderdeel 2.3.2).

Dat geldt evenzeer voor intenties en keuzes van werknemers om voor de Regeling te opteren. Op de feitelijke uitstroom van werknemers en de hoogte van de feitelijk overeengekomen beëindigingsvergoedingen dient dus evenmin acht te worden geslagen, aangezien die factoren niet behoren tot de objectieve kenmerken en voorwaarden van de Regeling.

Vaststelling van de bedoeling van de Regeling aan de hand van haar objectieve kenmerken en voorwaarden is ook in overeenstemming met de in artikel 32ba, lid 7, van de Wet LB opgenomen mogelijkheid om vooraf te doen beslissen of een regeling een RVU vormt. Ter verkrijging van zekerheid vooraf kan immers enkel worden aangeknoopt bij de (objectieve) kenmerken en voorwaarden van een regeling, en niet bij het achteraf blijkende feitelijke gebruik ervan.”

Hoewel de argumentatie voor het eerdere oordeel van het hof Den Bosch in de visie van de Hoge Raad dus niet helemaal juist is – het hof vond immers ook de “feitelijke invulling” relevant voor de vraag of een vrijwillig vertrekregeling een RVU is – laat hij het wel in stand, omdat het hof terecht heeft geoordeeld dat geen sprake is van een RVU.

Conclusie

Werkgevers die een vrijwillig vertrekregeling hebben waarvan vooral oudere werknemers gebruik maken, vinden in dit geval de Hoge Raad aan hun zijde. Toch blijft mijn advies aan werkgevers om een vrijwillig vertrekregeling vooraf juridisch en fiscaal te laten toetsen.

Bronnen:

Lees ook het blog: Aanbieden Vrijwillig Vertrekregeling aan oudere werknemers: voorzichtigheid blijft geboden!

 

you're currently offline

Share This