Een ambtenaar en vier collega’s solliciteren intern naar dezelfde functie. Van het selectieproces is een selectieverslag gemaakt. In dat verslag zijn de scores van iedere kandidaat op de verschillende selectiecriteria opgenomen. De ambtenaar in kwestie wordt afgewezen voor de functie en gaat in beroep. Hij is ervan overtuigd dat hij hogere scores heeft gehaald dan – met name – één van zijn collega’s. Zijn werkgever wil het selectieverslag met de individuele scores echter niet verstrekken, omdat er personeelsvertrouwelijke informatie in staat. Hij dient alleen een geanonimiseerd selectieverslag als processtuk in. De ambtenaar vindt dat niet voldoende. De Centrale Raad oordeelt op 21 januari 2016. Wie krijgt er gelijk?

Het geschil

Voor een goed begrip van het geschil is het volgende van belang. Artikel 8:42 Awb verplicht het bestuursorgaan “alle op de zaak betrekking hebbende stukken” aan de rechter te sturen. Dat zijn ‘de geschriften die onderdeel uitmaken van de totstandkoming van het primaire en het bestreden besluit’. Alle stukken wil zeggen dat het bestuursorgaan geen selectie mag maken.

Het selectieverslag is gebruikt in het besluit om de ambtenaar niet aan te nemen op de functie waar hij naar solliciteerde. Het is dus een op de zaak betrekking hebbend stuk en de minister moet het selectieverslag in beginsel dus insturen.

In beginsel, want op basis van artikel 8:29 Awb kan een uitzondering worden gemaakt op de verplichting alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. En daar doet de minister dan ook een beroep op. De minister zendt het selectieverslag aan de Centrale Raad van Beroep met het verzoek dat de Raad met toepassing van artikel 8:29 Awb bepaalt dat alleen de Raad van het verslag kennis mag nemen. De minister voert aan dat de gevraagde beperking van de kennisneming noodzakelijk is, omdat het selectieverslag personeelsvertrouwelijke informatie bevat. Er kan eenvoudig worden afgeleid over welke personen het verslag gaat. De ambtenaar vindt, zoals gezegd, deze beperking niet gerechtvaardigd, omdat de ambtenaar zijn scores met de scores van met name kandidaat 1 wil vergelijken.

Wat beslist de Centrale Raad?

De Centrale Raad ziet dat het voor de ambtenaar alleen mogelijk is zijn standpunt te onderbouwen wanneer hij inzage krijgt in de beoordeling van kandidaat 1, zoals vastgelegd in het selectieverslag. Onder deze omstandigheden weegt volgens de Raad de bescherming van de privacy van kandidaat 1 niet op tegen het belang van de ambtenaar bij inachtneming van het verdedigingsbeginsel. De Raad concludeert dat de beperkte kennisneming ten aanzien van de passages in het selectieverslag over kandidaat 1 niet gerechtvaardigd is, maar ten aanzien van de andere kandidaten wel.

Wanneer kan artikel 8:29 Awb nog meer worden toegepast?

Uit deze uitspraak blijkt dat de verplichting om alle stukken in een procedure in te dienen niet snel kan worden beperkt. Dat is ook logisch. Het is ‘een fundamenteel beginsel van het bestuursprocesrecht dat de justitiabele in beginsel over alle stukken kan beschikken welke met betrekking tot zijn zaak onder het bestuursorgaan berusten’. Ook is het belangrijk dat de rechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak waarover hij moet beslissen, juist en zorgvuldig af te doen.

Zoals ook in onderhavige zaak, zijn er echter situaties denkbaar waarin het bestuursorgaan redenen heeft om niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken toe te zenden. Dan kan hij een beroep doen op artikel 8:29 Awb. Er zijn twee smaken: het bestuursorgaan verzoekt om geheimhouding (dus ook geheim voor de rechter) of om beperkte kennisneming (alleen de rechter mag de stukken zien, de wederpartij niet). De rechter beslist of de weigering bepaalde stukken te overleggen, gerechtvaardigd is. Dat zal hij alleen beslissen als daarvoor gewichtige redenen zijn. Zoals uit deze uitspraak blijkt, kan de privacy van andere personen een dergelijke gewichtige reden zijn, voor zover het verdedigingsbelang van de eiser daardoor niet (te zeer) wordt geschaad.

Een ander voorbeeld van een gewichtige reden is het niet belemmeren of schaden van (toekomstige) strafrechtelijke onderzoeken (Centrale Raad van Beroep 1 oktober 2015, ). In deze zaak stond de beoordeling van een ongeschiktheidsontslag centraal. De ongeschiktheid was mede gelegen in contacten die de ambtenaar had met een verdachte van ernstige misdrijven. Informatie daarover werd echter niet verstrekt omdat dit het strafrechtelijk onderzoek naar deze verdachte kon schaden. Dat achtte de Raad gerechtvaardigd.

In een andere kwestie lag het gerechtvaardigd belang in het volgende. De veiligheidsverklaring van een ambtenaar met een vertrouwensfunctie werd ingetrokken, omdat zij een relatie had met een lid van de Nederlandse Volks Unie, een politieke partij die het neo-nazistische gedachtengoed aanhangt. Het bestuursorgaan wenste het Rapport Veldonderzoek (dat was opgesteld naar aanleiding van het onderzoek naar de relatie) niet te overleggen, omdat hierin persoonsgegevens stonden van derden en de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten geheimhouding van dit rapport voorschrijft. Geheimhouding werd daarom gerechtvaardigd geacht.

Conclusie

Zoals uit deze uitspraak blijkt, kan de privacy van andere personen een gewichtige reden ex artikel 8:29 Awb vormen, voor zover het verdedigingsbelang van de eiser daardoor niet (te zeer) wordt geschaad.

Wat wordt verstaan onder een gewichtige reden dient van geval tot geval te worden afgewogen.

Bron: CRvB 21 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:266

 

Share This