Wie zou er niet vaker gezondere keuzes moeten maken? Tegen beter weten in laten we dat toch vaak na. Zo ook een ambtenaar bij de gemeente Roermond, van wie de ongezonde levensstijl tot frequent ziekteverzuim leidde – met uiteindelijk zelfs voorwaardelijk strafontslag wegens plichtsverzuim tot gevolg. Maar mag je als werkgever het maken van ongezonde levenskeuzes door een ambtenaar wel kwalificeren als plichtsverzuim? De Centrale Raad van Beroep heeft hier op 7 juni 2018 uitspraak over gedaan.

Wat was er aan de hand?

Vanwege een hoog ziekteverzuim van een gemeenteambtenaar heeft het college van burgemeester en wethouders in 2008 en 2013 een onderzoek ingesteld naar de fysieke belastbaarheid van die ambtenaar. Nadien hebben het college en de bedrijfsarts meerdere keren met de ambtenaar gesproken en haar adviezen gegeven om haar gezondheid te verbeteren en het ziekteverzuim terug te dringen. Begin 2014 heeft het college de ambtenaar de dienstopdracht gegeven om te stoppen met roken en structureel sportlessen te gaan volgen. De ambtenaar heeft aan deze dienstopdracht echter geen gevolg gegeven. In september 2014 is haar daarom voorwaardelijk strafontslag opgelegd, met daarin de voorwaarden dat:

  • de ambtenaar twee keer per week moet sporten;
  • de ambtenaar opnieuw met de cursus stoppen met roken moet beginnen en de daarin gegeven medische aanwijzingen moet volgen;
  • de ambtenaar bij een erkend diëtist in behandeling moet gaan en de aanwijzingen van de diëtist moet opvolgen;
  • de ambtenaar over het algemeen alles in het werk moet stellen om haar levensstijl in positieve zin te wijzigen.

De ambtenaar hield zich niet aan de voorwaarden en maakte zich volgens het college daardoor schuldig aan plichtsverzuim. Eind 2014 is het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer gelegd. De ambtenaar vocht dat besluit aan.

Centrale Raad van Beroep: onaanvaardbare inbreuk op persoonlijke levenssfeer

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de verstrekte opdrachten een “ingrijpende en onaanvaardbare inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van appellante en op haar lichamelijke integriteit”. Daarbij overweegt de Raad dat de opdrachten nadrukkelijk verder strekken dan de arbeidsrelatie en direct de persoonlijke keuzes van de ambtenaar beïnvloeden. De noodzaak tot deze opdrachten vloeit ook niet voort uit de werkzaamheden. De Raad is van oordeel dat het verweten gedrag niet kan gelden als plichtsverzuim en dat het college niet bevoegd is het voorwaardelijk strafontslag ten uitvoer te leggen. De Raad overweegt aan het eind van de uitspraak dat het college wel aanleiding had om kritisch te zijn op de houding en het gedrag van de ambtenaar, maar dat “de gekozen weg met de daarbij gemaakte inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van appellante (…) echter onbegaanbaar [moet] worden geacht.”

Goed ambtenaarschap vs. persoonlijke levenssfeer

De ambtenaar moet zich gedragen als goed ambtenaar, zowel tijdens als buiten werktijd. In dat kader dient de ambtenaar de door de werkgever opgelegde verplichtingen zoals dienstopdrachten na te leven. Aan de andere kant heeft een ieder recht op het maken van persoonlijke levenskeuzes op grond van onder meer artikel 10 Grondwet en artikel 8 EVRM, waarin het recht op de eerbiediging van het privéleven is neergelegd. Soms botsen de persoonlijke levenskeuzes met wat de werkgever verwacht van de goede ambtenaar.

Noodzakelijkheidscriterium

Wanneer deze levenskeuzes in de arbeidsrelatie ter discussie staan, moet volgens de Raad een belangenafweging worden gemaakt. In de uitspraak van 7 juni 2018 lijkt de Raad daarom aan te sluiten bij het toetsingskader van artikel 8 EVRM door de belangenafweging van het noodzakelijkheidscriterium toe te passen.

De toets van artikel 8 EVRM bestaat uit drie onderdelen:

1) Is er een wettelijke grondslag voor de inbreuk?;
2) Dient de inbreuk een legitiem doel?; en
3) Kan de inbreuk als noodzakelijk worden beschouwd in een democratische samenleving?

Uit de toetsing door de Raad kan worden geconcludeerd dat het mogelijk is de persoonlijke levenskeuzes van de ambtenaar onder omstandigheden te kwalificeren als plichtsverzuim. De werkgever moet daartoe per situatie een gedegen belangenafweging maken en de toets van de gerechtvaardigde inbreuk met goed gevolg doorlopen. Voor het derde onderdeel van de toets, of de inbreuk noodzakelijk is, lijkt het verband danwel de verenigbaarheid tussen de levenskeuzes en (het goed uitoefenen van) de functie een cruciale rol te spelen.

Verband met de functie

Dit speelde ook in de uitspraak van de Raad van 29 september 2016 over de zogenoemde Satudarah-ambtenaar (zie ook dit blog van mijn collega Dieuwertje Stolwijk “Ontslag Satudarah-ambtenaar niet meer mogelijk?”). In die uitspraak draaide het met name om de onverenigbaarheid van het Satudarah-lidmaatschap en de aard van de functie van de ambtenaar bij de Dienst Justitiële Inrichtingen. De Raad oordeelde dat de zorgen van de werkgever een rol mogen spelen, maar daarbij de grondrechten van de ambtenaar, zoals het recht op respect voor het privéleven, niet uit het oog verloren mogen worden.

In de uitspraak van 7 juni 2018 waren de persoonlijke levenskeuzes in verband met het hoge ziekteverzuim weliswaar vervelend voor de werkgever, maar deze keuzes hielden geen enkel (negatief) verband met de functie van de ambtenaar of de uitstraling daarvan op de gemeente. Dit komt ook terug in de overweging van de Raad, waarin werd benadrukt dat er geen noodzaak was voor de opdrachten, voortvloeiende uit de aard van het werk. Ik kan me voorstellen dat dit voor een politieambtenaar een ander verhaal zou zijn.

Conclusie

Je mag als ambtelijk werkgever een hoop verlangen van je ambtenaren, soms zelfs zo veel dat een inbreuk op grondrechten gerechtvaardigd kan zijn. Als werkgever moet je wel grote terughoudendheid betrachten en je afvragen of wat je van je ambtenaar verlangt onder de omstandigheden wel echt noodzakelijk is.

Bronnen

Meer lezen?

Share This