Transavia kon met de vakbond FNV geen overeenstemming bereiken over een nieuwe cao voor haar grondpersoneel, en besloot daarom een nieuwe cao te sluiten zonder de FNV. De kantonrechter in Haarlem oordeelde op 5 april 2017 dat deze nieuwe cao echter niet van toepassing is op FNV-leden, ook niet – en dat is opvallend – op FNV-leden die een dynamisch incorporatiebeding in hun arbeidsovereenkomst hebben. Daarmee beperkt de kantonrechter de binding van werknemers aan cao’s die zijn gesloten zonder (representatieve) vakbonden waarmee de werkgever eerder wel een cao heeft gesloten. Deze uitspraak kan daardoor grote gevolgen voor werkgevers hebben.

Hoe zat het ook alweer?

Een werknemer kan op verschillende manieren aan een cao gebonden zijn. Dat kan bijvoorbeeld doordat de werknemer lid is van een vakbond die partij is bij een cao. In dat geval is de binding van de werknemer gebaseerd op artikel 9 Wet CAO.

Een werknemer kan ook contractueel gebonden zijn aan een cao, door middel van een incorporatiebeding. Dit beding is opgenomen in de arbeidsovereenkomst, en bepaalt dat een bepaalde cao van toepassing is op die arbeidsovereenkomst. Een werknemer kan ook zowel door het lidmaatschap van een vakbond als door een incorporatiebeding gebonden zijn aan een cao.

Bij een incorporatiebeding kan onderscheid worden gemaakt tussen een zogenaamd ‘dynamisch’ of ‘statisch’ incorporatiebeding. Een statisch incorporatiebeding verwijst naar één bepaalde cao. Een dynamisch incorporatiebeding ziet ook op toekomstige cao’s. Over incorporatiebedingen en met name de uitleg daarvan kunnen de nodige geschillen ontstaan, en deze uitspraak is daar een bijzonder voorbeeld van.

CAO Transavia Grondpersoneel

Transavia sluit voor haar grondpersoneel de collectieve arbeidsovereenkomst Transavia Grondpersoneel. Bij de CAO 2011-2013 waren behalve de FNV ook de CNV, De Unie en de NVLT aan werknemerszijde partij. In de CAO 2011-2013 was bepaald dat werknemers recht hadden op 10 ADV-dagen van 8 uur of 20 ADV-dagen van 4 uur.

Op 7 oktober 2015 werd een nieuwe CAO afgesloten met als looptijd 1 mei 2013 tot en met 31 december 2016 (hierna: de CAO 2013-2016). Bij deze CAO was de FNV geen partij, de overige vakbonden wel. In het onderhandelingsakkoord dat ten grondslag lag aan de CAO 2013-2016 was afgesproken dat er een gefaseerde afbouw van ADV-dagen zou plaatsvinden, waarbij het grondpersoneel uiteindelijk 6 ADV-dagen zou inleveren.

Op 28 januari 2016 zegde Transavia de CAO 2011-2013 per aangetekende brief op. De FNV vordert bij de rechter dat Transavia op haar leden de CAO 2011-2013 blijft toepassen, zodat de afbouw van ADV-dagen voor FNV-leden niet geldt.

Kern van de zaak

De kantonrechter overweegt dat het uitgangspunt is dat de CAO 2011-2013 op FNV leden van toepassing is gebleven totdat deze door opzegging van Transavia op 1 mei 2016 was geëindigd. De kantonrechter gaat vervolgens nader in op de vraag of FNV-leden door middel van een incorporatiebeding gebonden zouden kunnen zijn aan de CAO 2013-2016.

Dynamisch incorporatiebeding

Uit de uitspraak blijkt dat de FNV-leden die werkzaam zijn bij Transavia een dynamisch incorporatiebeding in hun arbeidsovereenkomst hebben, dat als volgt luidt: “Op werknemer zijn van toepassing de bepalingen van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor Transavia Grondpersoneel.”

De vraag is of dit incorporatiebeding zo moet worden uitgelegd, dat FNV-leden op basis hiervan ook gebonden zijn aan de CAO 2013-2016, waarbij de FNV geen partij is. De kantonrechter komt tot het oordeel dat dit niet het geval is. Hij overweegt – samengevat – dat in de aanvaarding van het incorporatiebeding door individuele FNV-leden niet de bedoeling besloten ligt om aan een cao die met niet-representatieve vakorganisaties is gesloten gebonden te worden.

Niet-representatieve vakorganisaties

De kantonrechter komt tot het oordeel dat de overige vakbonden die partij zijn bij de CAO 2013-2016 niet als representatieve vakorganisaties kunnen worden aangemerkt. Bij dit oordeel is niet alleen het aantal grondpersoneelsleden dat lid is van de overgebleven vakbonden (ongeveer 127 van de 600 werknemers) relevant.

De kantonrechter oordeelt namelijk dat de NVLT geen representatieve vakbond is, omdat alleen werknemers met een bepaalde functie lid van deze vakbond kunnen worden. De werknemers met deze functies vormen qua aantal ongeveer een kwart van het grondpersoneel (ongeveer 150 werknemers). Van hen is iets meer dan de helft lid van de NVLT. De kantonrechter komt daarom tot het oordeel dat de NVLT niet als representatieve vakbond voor (al) het grondpersoneel kan worden aangemerkt. Wanneer het aantal leden van de NVLT buiten beschouwing wordt gelaten, en alleen wordt gekeken naar de leden van de Unie en de CNV, is nog slechts sprake van een representatiegraad van minder dan 10 % (ter vergelijking, inclusief de leden van de FNV en de NVLT bedroeg de representatiegraad ongeveer 33%).

Gelet op het lage ledenaantal van de Unie en de CNV (in totaal 41) in verhouding tot het aantal leden van de FNV (ongeveer 70-87), en mede in aanmerking genomen de bijzondere vereisten voor een lidmaatschap van de NVLT, is de kantonrechter van oordeel dat de CAO 2013-2016 niet is afgesloten met vakbonden die voldoende representatief zijn voor het grondpersoneel. Het gevolg hiervan is dat FNV-leden niet op grond van het incorporatiebeding aan deze CAO zijn gebonden en dat deze CAO niet op hen van toepassing is. Zij blijven dus aanspraak houden op hun oorspronkelijke aantal ADV-dagen dat voortvloeit uit de CAO 2011-2013.

Wat is de invloed en betekenis van deze uitspraak?

Het gebeurt steeds vaker dat werkgevers die geen akkoord met een of meerdere vakbonden kunnen bereiken ervoor kiezen om met de vakbonden waarmee wel een akkoord kan worden bereikt een cao te sluiten. Deze uitspraak laat zien dat dit een risico kan opleveren, zeker als de overgebleven vakbond(en) onvoldoende representatief is of zijn. De werkgever loopt het risico dat niet alleen leden van de ‘buitengesloten’ vakbond, maar ook leden van diezelfde vakbond met een incorporatiebeding in hun arbeidsovereenkomst niet gebonden zijn aan een nieuwe cao. Het is de vraag of deze uitspraak in hoger beroep in stand blijft dan wel navolging krijgt van andere rechtbanken.

Bron: Rechtbank Noord-Holland 5 april 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:2911

Share This