De CRvB oordeelde op 14 januari 2016 over de vraag of sprake was van discriminatie van een ambtenaar op grond van zijn leeftijd. Eerder oordeelde het College voor de Rechten van de Mens in dezelfde zaak dat sprake was van verboden leeftijdsonderscheid.

Het geschil

Een ambtenaar is op 49-jarige leeftijd voor een periode van vijf jaar bij het Ministerie van Defensie aangesteld als geestelijk verzorger. De ambtenaar heeft de minister verzocht hem een aanstelling voor onbepaalde tijd te verlenen. De minister heeft dit afgewezen, omdat de ambtenaar, gelet op zijn leeftijd, niet kan voldoen aan het rendementscriterium. Dit criterium houdt in dat als voorwaarde voor het verstrekken van een aanstelling voor onbepaalde tijd geldt dat de ambtenaar minimaal 12 jaar verwijderd moet zijn van de datum van leeftijdsontslag (60 jaar). De ambtenaar is van mening dat de minister een verboden onderscheid op grond van leeftijd maakt.

De vraag of sprake was van leeftijdsdiscriminatie is door de ambtenaar vervolgens aan zowel de rechter als het College voor de Rechten van de Mens voorgelegd.

Het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens

Het College gaf zijn oordeel ruim twee jaar eerder dan de Centrale Raad van Beroep. Het College heeft in 2013 kort gezegd geoordeeld dat de Minister van Defensie verboden onderscheid op grond van leeftijd had gemaakt door het verzoek van de geestelijk verzorger tot het aangaan van een vaste aanstelling af te wijzen.

De uitspraak van de Centrale Raad van Beroep

Hoewel de oordelen van het College niet bindend zijn, moeten zij wel door de rechtbank worden meegenomen bij de beoordeling van het geschil dat aan de rechtbank wordt voorgelegd. In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep ook in lijn met het College geoordeeld dat:

  1. er sprake is van direct onderscheid op grond van leeftijd, omdat personen ouder dan 48 jaar feitelijk geen vaste aanstelling meer kunnen krijgen vanwege de eis dat zij nog 12 jaar bij Defensie werkzaam moeten kunnen zijn; en
  2. deze maatregel passend is om te bereiken dat de duur van de overbruggingsuitkering (vijf jaar) in verhouding staat tot de tijd die bij Defensie is gewerkt (minstens 12 jaar), maar
  3. het middel niet noodzakelijk is, omdat er ruimte bestaat om de termijn van 12 jaar te bekorten en de minister niet heeft kunnen uitleggen waarom die beleidsruimte ten aanzien van de geestelijk verzorger niet kan worden benut.

De geestelijk verzorger krijgt dus gelijk. Op zichzelf vindt de Centrale Raad – net als Defensie – óók dat een ambtenaar een aantal jaren bij Defensie moet hebben gewerkt, voordat hij recht krijgt op een arbeidsloos inkomen van vijf jaar. Defensie kan echter onvoldoende goed uitleggen waarom dat precies 12 jaar moet zijn en kan ook niet vertellen waarom het niet mogelijk is dat de geestelijk verzorger doorwerkt tot na zijn 60e zodat hij wél de termijn van 12 jaar kan halen.

Verhouding oordeel College en uitspraak rechtbank

Het gebeurt regelmatig dat tegelijkertijd – of voorafgaand aan – een procedure bij de rechter, een klacht wordt ingediend bij het College voor de Rechten van de Mens (de voormalige Commissie Gelijke Behandeling is in dit mensenrechteninstituut opgegaan). Het College is laagdrempelig: de procedure is gratis en degene die een klacht indient heeft geen advocaat nodig. Een oordeel van het College is echter niet bindend. Een partij kan niet worden gedwongen het oordeel van het College op te volgen. Dat gebeurt in de meeste gevallen echter wel: in ruim driekwart van de oordelen waarin sprake is van discriminatie wordt door de discriminerende partij een maatregel getroffen. Voorbeelden van maatregelen zijn excuses of rectificatie, een financiële genoegdoening of voorlichting aan werknemers of aanpassing van het beleid.

Bron: CRvB 14 januari 2016 ECLI:NL:CRVB:2016:133 en CRM 1 september 2014 oordeelnummer 2014/105

 

Share This