Een werkgever en een Ondernemingsraad hadden een geschil over de vraag of een Ondernemingsraad instemmingsrecht heeft ten aanzien van het besluit van een werkgever tot opzegging en wijziging van een uitvoeringsovereenkomst met een pensioenfonds. Hoe oordeelde de Rechtbank Rotterdam (op 23 december 2015) over dit geschil? En wat is in dit kader het verschil tussen een pensioenovereenkomst en een uitvoeringsovereenkomst?

Het geschil

De werkgever had zijn pensioenregelingen ondergebracht bij een pensioenfonds op grond van een uitvoeringsovereenkomst. Na enige tijd werden de pensioenregelingen aangepast en ondergebracht bij een pensioenverzekeraar. De uitvoeringsovereenkomst met het pensioenfonds werd hierop opgezegd, waarna een andersluidende uitvoeringsovereenkomst met het pensioenfonds werd overeengekomen.

In de oorspronkelijke uitvoeringsovereenkomst die met het pensioenfonds was overeengekomen, was de afspraak opgenomen dat de werkgever jaarlijks een bijdrage aan het pensioenfonds zou storten, teneinde eventuele dekkingstekorten op te heffen (de zogenaamde bijstortingsverplichting). Nadat de werkgever ervoor had gekozen de pensioenregeling bij een pensioenverzekeraar onder te brengen, werd een nieuwe, vervangende uitvoeringsovereenkomst met het pensioenfonds overeengekomen. In deze (nieuwe) uitvoeringsovereenkomst was echter geen bijstortingsverplichting opgenomen.

De OR meende dat zij voor deze handeling om instemming had moeten worden gevraagd. In dat verband wees de OR allereerst op artikel 27 lid 1 Wet op de ondernemingsraden (WOR), waarin is bepaald dat de werkgever de instemming van de OR behoeft voor elk door hem voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van een regeling met betrekking tot een pensioenverzekering. Ten tweede meende de OR dat deze handeling diende te worden aangemerkt als een intrekking c.q. vaststelling van een pensioenovereenkomst, ten aanzien waarvan de OR op de voet van artikel 27 lid 7, aanhef en onder a van de WOR om instemming had moeten worden gevraagd. Hoewel het hier de intrekking en vaststelling van een uitvoeringsovereenkomst betrof en niet van een pensioenovereenkomst, voerde de OR aan dat de uitvoeringsovereenkomst en de pensioenovereenkomst niet los stonden van elkaar, maar elkaar (op onderdelen) raakten. Dat deze twee overeenkomsten onlosmakelijk met elkaar verbonden waren, zou blijken uit het feit dat het niet meer in de uitvoeringsovereenkomst opnemen van de bijstortingsverplichting kon leiden tot vermindering van pensioenaanspraken. Ging de rechter hier in mee?

Hoe oordeelt de rechtbank?

De kantonrechter past in deze uitspraak de wet strikt toe. Ten aanzien van artikel 27 lid 1 WOR merkt de rechter op de OR slechts een instemmingsrecht toekomt ten aanzien van een voorgenomen besluit met betrekking tot een pensioenverzekering. Met het woord verzekering heeft de wetgever tot uitdrukking gebracht dat de OR instemmingsrecht heeft ten aanzien van een pensioenregeling die wordt uitgevoerd door een verzekeraar. Dus niet door een pensioenfonds, zoals in het onderhavige geval aan de orde. Aan artikel 27 lid 1 WOR kan de OR dus geen recht op instemming ontlenen. Ten aanzien van artikel 27 lid 7 WOR oordeelt de rechter dat alleen wordt gesproken over de pensioenovereenkomst en niet over de uitvoeringsovereenkomst. Ook op grond van dit artikel komt de OR dus geen instemmingsrecht toe bij wijziging van de uitvoeringsovereenkomst door de werkgever. Het standpunt van de OR dat deze overeenkomsten niet los staan van elkaar, laat onverlet dat de overeenkomsten juridisch gezien twee te onderscheiden overeenkomsten blijven. De rechter stelt de OR in het ongelijk.

Pensioenovereenkomst vs. uitvoeringsovereenkomst

Het is van belang het verschil tussen een pensioenovereenkomst en een uitvoeringsovereenkomst scherp voor ogen te houden. Bij uitvoering van een pensioenregeling is veelal sprake van een driehoeksver¬houding. Deze pensioendriehoek bestaat uit de volgende verhoudingen: werkgever en werknemer – die een pensioenovereenkomst als onderdeel van de arbeidsovereenkomst sluiten -, werknemer en pensioenuitvoerder – waarbij het pensioenreglement de rechtsverhouding regelt – en werkgever en pensioenuitvoerder – die samen een uitvoeringsovereenkomst sluiten -.

Ook de rechter wijst in deze zaak op het verschil tussen een pensioenovereenkomst en een uitvoeringsovereenkomst ter motivering van zijn beslissing. Deze verschillen vinden hun basis in de Pensioenwet (PW). Ingevolge artikel 23 lid 1 PW brengt de werkgever – kort gezegd – een pensioenovereenkomst onder door een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst te sluiten met een pensioenuitvoerder. Ingevolge artikel 32 PW heeft een pensioenuitvoerder tot taak een pensioenovereenkomst uit te voeren op basis van een uitvoeringsovereenkomst. Uit deze bepalingen volgt aldus volgens de kantonrechter dat de pensioenovereenkomst en de uitvoeringsovereenkomst twee te onderscheiden overeenkomsten betreffen, waarbij verschillende partijen betrokken zijn. Dat rechtvaardigt volgens de rechter een verschillende behandeling van beide overeenkomsten ten aanzien van het instemmingsrecht van de OR ter zake.

Betekent dit nu dat wijziging van een uitvoeringsovereenkomst nooit instemmingsplicht is? Waarschijnlijk niet. Denkbaar is dat wel sprake is van een instemmingsrecht als wijziging van de uitvoeringsovereenkomst (feitelijk) leidt tot wijziging van de pensioenovereenkomst. Daarvan was in dit geval volgens de rechter echter geen sprake.

Tip voor werkgevers

Vraag bij de wijziging van een pensioenregeling om instemming van de OR. Bij wijziging van de uitvoeringsovereenkomst is dit in beginsel niet vereist.

Bron: Rechtbank Rotterdam 23 december 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:9803

 

Share This