Er vindt een collectieve waardeoverdracht plaats van pensioenaanspraken en pensioenrechten van een verzekeraar naar een pensioenfonds. Na enige tijd besluit het ontvangende pensioenfonds de pensioenuitkeringen van belanghebbenden te korten vanwege een te lage dekkingsgraad bij het pensioenfonds. Dient het pensioenfonds de belanghebbenden nu, in het kader van een voorgenomen waardeoverdracht, te informeren over de mogelijkheid van een toekomstige korting van hun pensioenuitkering?

Kortingsbevoegdheid

Artikel 134 Pensioenwet (PW) geeft een pensioenfonds de mogelijkheid om, uitsluitend wanneer de financiële positie van het pensioenfonds daartoe aanleiding geeft, over te gaan tot vermindering (korten) van verworven pensioenaanspraken en pensioenrechten.

Een pensioenfonds mag slechts korten als: (i) sprake is van een onvoldoende (sterke) financiële positie van het pensioenfonds, (ii) geen realistische kans bestaat op herstel van die positie binnen een redelijke termijn en (iii) er geen alternatieve mogelijkheden voor het korten zijn. Uit artikel 134 PW volgt dat de kortingsmaatregel enkel als ultimum remedium mag worden ingezet.

Op het pensioenfonds dat van de kortingsbevoegdheid gebruik wil maken, rust (op grond van artikel 134 lid 2 PW) de verplichting om deelnemers, gewezen deelnemers, pensioengerechtigden en de werkgever schriftelijk over het besluit tot vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten te informeren. Het is de vraag of deze informatieplicht ook kan rusten op een pensioenfonds dat daar in beginsel op grond van de wet niet toe gehouden is. In het onderhavige arrest kwam die vraag aan de orde.

Werknemer / PMT

De zaak waarin het gerechtshof Den Haag op 8 mei 2018 arrest heeft gewezen, betrof een geschil tussen het Pensioenfonds Metaal en Techniek (PMT) en een voormalig werknemer van Daimler Nederland, die tijdens zijn dienstverband pensioenaanspraken bij verzekeraar Nationale Nederlanden (NN) had opgebouwd. In het kader van een collectieve waardeoverdracht van de bij NN opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten aan PMT, heeft PMT de werknemer bij brief van 13 januari 2009 verzocht om zijn goedkeuring voor de waardeoverdracht (zie over de collectieve waardeoverdracht en het bezwaarrecht daarbij van pensioendeelnemers mijn eerdere blog). De werknemer heeft aanvankelijk bezwaar gemaakt tegen de waardeoverdracht, maar dit later ingetrokken. De waardeoverdracht heeft uiteindelijk op 27 december 2011 plaatsgevonden. In februari 2013 heeft PMT de werknemer geïnformeerd dat zijn pensioenuitkering per 1 april 2013 zou worden verlaagd, aangezien de dekkingsgraad van het pensioenfonds onvoldoende was.

De werknemer was het niet eens met de korting door PMT. Hij stelde zich op het standpunt dat PMT hem, voorafgaand aan de waardeoverdracht in 2009, erop had moeten wijzen dat zij gerechtigd was de pensioenaanspraken te korten, terwijl NN daartoe niet gerechtigd was.

Oordeel kantonrechter

De kantonrechter volgde de werknemer niet in zijn standpunt en oordeelde dat er geen rechtsregel is die PMT als ontvangende pensioenuitvoerder verplicht om hem, in het kader van een voorgenomen waardeoverdracht, te wijzen op het bestaan van artikel 134 PW. Naar aanleiding van het oordeel van de kantonrechter heeft de werknemer vervolgens de gang naar het hof gemaakt.

Oordeel van het hof

Het hof oordeelde dat een waardeoverdracht van pensioenaanspraken op grond van artikel 83 PW in potentie verstrekkende gevolgen heeft voor belanghebbenden. Om die reden bevat artikel 83 lid 2 sub a PW een (schriftelijke) verplichting voor de overdragende pensioenuitvoerder (en de werkgever) om belanghebbenden zodanig over hun pensioensituatie te informeren dat zij de afweging kunnen maken of zij al dan niet bezwaar willen maken tegen de overdracht van hun aanspraken.

PMT heeft deze informatieplicht, zoals blijkt uit haar brief van 13 januari 2009, echter onverplicht volledig op zich genomen. Omdat PMT de informatieplicht op zich heeft genomen, is volgens het hof op PMT de zorgplicht komen te rusten dat de werknemer ook volledig wordt geïnformeerd. Naar het oordeel van het hof heeft PMT de hiervoor bedoelde rol niet naar behoren vervuld met haar brief van 13 januari 2009. PMT had de werknemer moeten informeren over de mogelijkheid van een toekomstige korting en de omstandigheden waaronder PMT deze korting zou kunnen toepassen. Er bestaat op dit punt namelijk een wezenlijk verschil tussen de uitvoering van de pensioenregeling door PMT en de uitvoering door een verzekeraar als NN. De kortingsmogelijkheid, zoals vastgelegd in artikel 134 PW, kwam immers niet aan NN toe.

Verzekeraar versus pensioenfonds

Zoals door het hof wordt benadrukt, bestaat er een belangrijk verschil tussen het laten uitvoeren van een pensioenregeling door een pensioenverzekeraar of een pensioenfonds. Het is een verzekeraar niet toegestaan om pensioenaanspraken of pensioenuitkeringen te korten, terwijl een pensioenfonds dat recht wel heeft. Naast het in artikel 134 PW bepaalde zijn verzekeraars ook niet op andere gronden bevoegd tot vermindering van pensioenaanspraken en pensioenrechten.

Naar mijn mening is het goed te verklaren dat pensioenfondsen wél een kortingsbevoegdheid ter beschikking staat en pensioenverzekeraars niet. De wijze van financiering verschilt namelijk. Bij een pensioenfonds worden meevallers en tegenvallers collectief opgevangen. De ‘gedeelde’ pensioenpot bij een pensioenfonds is onder meer gevoelig(er) voor lage rente (waardoor de pensioenkas meer geld moet bevatten) en de verhouding tussen werkenden en gepensioneerden. Een pensioenverzekeraar kent echter een individualistischere werking, waardoor een kortingsinstrument minder relevant is.

Conclusie

Hoewel in dit geval op het ontvangende pensioenfonds niet de wettelijke plicht rustte om de betrokkenen te informeren over de (gevolgen van de) waardeoverdracht, deed het fonds dat wel. Daarmee kwam het fonds direct vol in de wind te staan, nu het hof aanneemt dat ook in dat geval een zorgplicht op het fonds rust om betrokkenen volledig te informeren. Dit omvat ook het informeren van betrokkenen over de mogelijkheid van een toekomstige korting en de omstandigheden waaronder deze korting zou kunnen worden toegepast.

Als een pensioenuitvoerder of een werkgever onverplicht informatie verstrekt met betrekking tot pensioen, kan hij dus aansprakelijk zijn voor schade die ontstaat als die informatie onjuist of onvolledig blijkt te zijn. Voorzichtigheid is dus te allen tijde geboden!

Bronnen:

Share This