Eind november 2016 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen waarin hij de regels voor de uitleg van een sociaal plan heeft genuanceerd.

Ook bedoelingen van de opstellers van een sociaal plan die voor derden niet kenbaar zijn, kunnen onder omstandigheden van belang zijn bij de uitleg van bepalingen van een sociaal plan.

Hoe zat het ook alweer?

Volgens vaste rechtspraak moet een sociaal plan worden uitgelegd volgens de zogenaamde ‘cao-norm’. Deze norm geldt ook als het sociaal plan niet als cao is aangemeld.

CAO-norm

De cao-norm wordt zo genoemd omdat hij afkomstig is uit een arrest van de Hoge Raad waarin de uitleg van een werkingssfeerbepaling uit de Metalektro cao centraal stond. De cao-norm komt er kort gezegd op neer dat aan de bepalingen van een cao een objectieve uitleg moet worden gegeven, waarbij de bewoordingen van de bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao, in principe van doorslaggevende betekenis zijn. Ook de bewoordingen van een eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting, die voor derden kenbaar is, moet bij de uitleg van een cao worden betrokken.

De reden voor een objectieve uitleg van cao-bepalingen is dat het niet de bedoeling is dat partijen die niet betrokken zijn bij de totstandkoming van de cao maar er wel rechten aan ontlenen (zoals de werknemer en in bepaalde gevallen ook de werkgever) worden geconfronteerd met een uitleg van een bepaling die gebaseerd is op een partijbedoeling die ze niet kenden. Een eenvormige uitleg is mede hierom bij een cao van groot belang.

Haviltex-norm

De tegenhanger van de cao-norm is de Haviltex-norm, die bepaalt dat voor de uitleg van overeenkomsten in beginsel de partijbedoeling leidend is. De partijbedoeling kan onder meer blijken uit de tekst van een overeenkomst, maar kan ook uit andere omstandigheden blijken.

Tussen de Haviltex-norm en de cao-norm zit geen absolute scheiding maar een vloeiende overgang, zo bepaalde de Hoge Raad in het DSM/Fox-arrest. De rechtspraak over de uitleg van overeenkomsten heeft als gemeenschappelijke grondslag dat telkens van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het geval, en dat ook de redelijkheid en billijkheid van invloed is bij deze uitleg.

In zijn recente arrest heeft de Hoge Raad bepaald dat, in afwijking van de cao-norm, onder “bijzondere omstandigheden” mede betekenis toekomt aan voor derden niet kenbare bedoelingen van de opstellers van het sociaal plan.

Wat speelde er?

De werkgever is een tapijtfabriek. In 2010 vond er een ingrijpende reorganisatie plaats, waarbij het personeelsbestand moest inkrimpen van 116 naar 35 fte. In het kader van deze reorganisatie heeft de werkgever met vakbond FNV een akkoord gesloten over een sociaal plan, waarbij de werknemers die door de reorganisatie moesten afvloeien aanspraak maakten op een vergoeding. De moedervennootschap van de werkgever heeft zich garant gesteld voor de nakoming van het sociaal plan.

Nadat de reorganisatie heeft plaatsgevonden gaat de werkgever in mei 2011 alsnog failliet. Op dat moment zijn er nog 39 werknemers in dienst. Deze werknemers zijn, met behulp van het FNV een procedure begonnen om een vergoeding conform het sociaal plan te krijgen.

In het sociaal plan is een bepaling opgenomen waaruit blijkt dat het sociaal plan niet alleen van toepassing is op werknemers die als direct gevolg van de reorganisatie hun baan verliezen, maar ook op werknemers die als gevolg van de reorganisatie indirect hun baan verliezen, omdat zij zich niet kunnen aanpassen aan de gewijzigde omstandigheden. Uit deze omschrijving van de werkingssfeer van het sociaal plan blijkt dus niet (direct) dat het sociaal plan van toepassing is op de achterblijvende werknemers.

Het FNV stelt in hoger beroep – kort gezegd – dat ook eerdere concepten van het sociaal plan bij de uitleg van de werkingssfeerbepaling moeten worden betrokken. Ook stelt het FNV dat de looptijd van het sociaal plan (tot 31 december 2015) een aanwijzing is dat het ook op de achterblijvers van toepassing is. Het Hof gaat hier niet in mee.

Oordeel Hoge Raad

De Hoge Raad komt echter tot een ander oordeel. Als sprake is van bijzondere omstandigheden, kan ook aan bedoelingen van de opstellers van het sociaal plan die voor derden niet kenbaar waren betekenis toekomen. De bijzondere omstandigheden waar de Hoge Raad op doelt waren in dit geval onder meer:

  • De looptijd van het sociaal plan (dat liep tot 31 december 2015, lang nadat de reorganisatie was afgerond).
  • Het feit dat de ondernemingsraad van de werkgever in zijn (positieve) advies over de reorganisatie had opgemerkt dat hij vond dat, met de (lange) looptijd van het sociaal plan, er voldoende garanties waren gegeven voor de achterblijvende werknemers.
  • De ondertekening van het sociaal plan door de directeur van de moedervennootschap, waarbij aan het sociaal plan was toegevoegd de tekst dat de moedermaatschappij zich garant stelde voor de uitvoering van het sociaal plan “indien er binnen de looptijd van dit sociaal plan zich een faillissement voordoet (..)”.
  • Het feit dat alle partijen voor wie de uitleg van het sociaal plan nog van belang was, betrokken waren in de procedure bij de Hoge Raad (de achterblijvende werknemers, de moedervennootschap en de FNV).

Wat is de invloed en betekenis van dit arrest?

De omstandigheden die in dit geval redengevend zijn geweest voor een afwijking van de cao-norm zijn zeer specifiek van aard. Met name de omstandigheid dat alle partijen voor wie de uitleg van een sociaal plan relevant is, betrokken zijn in de gerechtelijke procedure over de uitleg ervan, zal in de praktijk niet veel voorkomen. Toch is dit arrest voor de praktijk zeker relevant. Het zet de deur open voor jurisprudentie over wanneer er nu precies sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de cao-norm rechtvaardigen. Het arrest toont in ieder geval aan dat zelfs in het geval van een cao of sociaal plan de tekstuele uitleg niet altijd leidend is.

Bron: HR 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2687

Share This