Een pensioenfonds verkeert in een situatie van onderdekking en moet noodzakelijkerwijs korten op pensioenaanspraken en pensioenrechten.

In hoeverre mag het pensioenfonds daarbij een onderscheid maken tussen werknemers van wie de werkgever een extra vrijwillige bijstorting heeft gedaan om korting te verminderen, en werknemers van wie de werkgevers geen of een kleinere storting hebben gedaan?

Deze vraag moest het Gerechtshof Amsterdam op 14 februari 2017 beantwoorden, nadat de rechtbank in eerste aanleg al had geoordeeld dat een dergelijke gedifferentieerde korting niet in strijd is met de Pensioenwet en daarom is toegestaan.

Arrest Hof Amsterdam

Wat speelde in deze zaak?

Het Pensioenfonds voerde pensioenregelingen uit voor een aantal werkgevers. Met de werkgevers waren aparte uitvoeringsovereenkomsten gesloten die geen van alle voorzagen in een verplichting tot bijstorting. De dekkingsgraad van het Pensioenfonds daalde onder het minimaal vereiste vermogen. Op grond van dit dekkingstekort moest het Pensioenfonds noodgedwongen enkele jaren kortingen doorvoeren op de pensioenrechten en -aanspraken van haar (gewezen) deelnemers. Daarom vroeg het Pensioenfonds de aangesloten werkgevers om vrijwillig bijstortingen te verrichten om kortingen op de (ingegane) pensioenen te voorkomen. Een aantal werkgevers voldeed hieraan, andere werkgevers niet.

Gedifferentieerd korten

Met de werkgevers die wel vrijwillig hadden bijgestort, werd vervolgens een overeenkomst gesloten waarin werd bepaald dat de bedragen van deze werkgevers niet zouden worden gebruikt om kortingen op pensioenen van deelnemers van andere werkgevers te voorkomen. Ten aanzien van werknemers van deze werkgevers werden vervolgens geen kortingen doorgevoerd. Werknemers van werkgevers die niet vrijwillig extra stortingen hadden verricht, werden wel gekort, zodat sprake was van gedifferentieerd korten.

Standpunt gekorte werknemer

Hiertegen is één van de gekorte verzekerde werknemers opgekomen. Nadat de kantonrechter zijn vorderingen had afgewezen, stelde de werknemer zich in hoger beroep op het standpunt dat elke vrijwillige bijstorting door een werkgever ten goede dient te komen aan alle aanspraakgerechtigden in het Pensioenfonds, zonder enig onderscheid. De enkele omstandigheid dat niet alle betrokken werkgevers hebben bijgestort, was volgens de werknemer een onvoldoende rechtvaardiging voor een gedifferentieerd korten. Een dergelijk handelen zou in strijd zijn met de eis van een evenwichtige afweging van de belangen van alle belanghebbenden zoals bedoeld in artikel 105 lid 2 van de Pensioenwet. Bovendien handelde het Pensioenfonds hiermee in strijd met het solidariteitsprincipe zoals dat voortvloeit uit artikel 123 van de Pensioenwet.

Oordeel Hof Amsterdam

Het hof stelde vast dat het Pensioenfonds beschikte over onvoldoende middelen om de aanspraken van alle gerechtigden na te komen en dat zij daarom diende over te gaan tot het korten op die aanspraken. In zo’n situatie, waarbij niet door middel van een uitvoeringsovereenkomst is voorzien in een verplichting tot bijstorting, ligt het volgens het hof voor de hand dat de betrokken werkgevers werden benaderd met het doel te bewerkstelligen dat die korting zoveel mogelijk zou worden beperkt door een verhoging van het in het Pensioenfonds bijeengebrachte vermogen.

Ook is het volgens het hof redelijk dat de betrokken werkgevers uit het oogpunt van solidariteit met de eigen (ex-)werknemers daaraan de voorwaarde stelden dat die aanvullende – en onverplichte – bijdrage ten goede zou komen aan de eigen pensioengerechtigden, in die zin dat dit direct gevolgen zou moeten hebben voor een verlaging van de voorgenomen korting.

Solidariteitsbeginsel

Met het beroep op het solidariteitsbeginsel wordt volgens het hof miskend dat de door het Pensioenfonds te betrachten evenwichtigheid als bedoeld in artikel 105 lid 2 van de Pensioenwet niet betekent dat ingeval van een noodzaak tot korting deze niet gedifferentieerd zou mogen plaatsvinden. Een wettelijke voorschrift daartoe ontbreekt in de Pensioenwet. Verder oordeelt het hof over de strekking van het in artikel 123 van de Pensioenwet neergelegde solidariteitsbeginsel dat dit niet met zich brengt dat vrijwillige bijstortingen door individuele werkgevers als gevolg hebben dat ook deze bijstortingen steeds ten goede dienen te komen aan alle deelnemers in het Pensioenfonds. Het hof concludeert dat het Pensioenfonds geen misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden uit de Pensioenwet en acht het resultaat niet onaanvaardbaar. Het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd.

Pensioenkorting

Hoe is het korten van pensioenafspraken en pensioenrechten geregeld in de wet?

Ultimum remedium

Het korten van pensioenaanspraken en pensioenrechten is volgens artikel 134 van de Pensioenwet uitsluitend mogelijk als het pensioenfonds in onderdekking verkeert en niet in staat is om de onderdekking binnen een redelijke termijn te herstellen zonder dat de belangen van (gewezen) deelnemers, pensioengerechtigden of werkgevers onevenredig worden geschaad. De kortingsmaatregel is door de wetgever bedoeld als een noodmaatregel die alleen in uiterste gevallen ingezet kan worden, een ultimum remedium dus. Een pensioenfonds mag hier bovendien alleen gebruik van maken als alle overige ‘sturingsmiddelen’, zoals het niet verlenen van toeslagen (indexeren), het heffen van hogere premies of bijstortingen van werkgevers, al zijn ingezet.

Evenredig korten vs. gedifferentieerd korten

De Pensioenwet bepaalt niet op welke wijze een korting mag worden toegepast. Bovendien bestaat hierover ook nog weinig rechtspraak.

Er zijn kort gezegd twee mogelijkheden. Er kan evenredig worden gekort, waarbij de nominale pensioenaanspraken en -rechten van alle betrokkenen met gelijke percentages worden gekort. Er kan ook voor gekozen worden om gedifferentieerd te korten. Hierbij worden bepaalde groepen of geledingen meer gekort dan andere groepen of geledingen. In de parlementaire behandeling van de Pensioenwet (Kamerstukken II 2005/2006, 30 413, nr. 17, pagina 85) heeft de minister gezegd dat de wijze van korten behoort tot de verantwoordelijkheid van sociale partners en het pensioenfondsbestuur. Daarbij is opgemerkt dat het bestuur zich wel – zoals overigens bij elk besluit – zal moeten houden aan de norm van evenwichtige belangenbehartiging.

Gedifferentieerd korten en het verbod op ringfencing

Gedifferentieerd korten lijkt op grond van de wet en de wetsgeschiedenis dus mogelijk. Dit uitgangspunt is in deze zaak door de rechtbank en het Hof Amsterdam bevestigd. De rechtbank heeft overwogen dat het verbod van ‘ringfencing’, waarbij de vermogens van verschillende (door één pensioenfonds uitgevoerde) pensioenregelingen van elkaar worden gescheiden, niet met zich meebrengt dat er geen onderscheid mag worden gemaakt bij de uitvoering van verschillende pensioenregelingen, op grond van bijvoorbeeld een vrijwillige bijstortingsplicht van een aangesloten werkgever. Het hof heeft dit bevestigd. Daarbij heeft het feit dat alle werkgevers op dezelfde wijze de mogelijkheid hebben gekregen om voor hun deelnemers bij te storten, een belangrijke rol gespeeld.

Ten slotte

Het oordeel van het hof is redelijk. Immers, het ligt in de rede dat werkgevers die er – onverplicht – voor kiezen om een extra bijstorting te verrichten, daartoe uit een oogpunt van solidariteit naar de eigen (ex-)werknemers alleen bereid zijn indien die aanvullende bijstorting (met name) ten goede komt aan de eigen (ex-)werknemers.

Kortom: gedifferentieerd korten op pensioenrechten en pensioenaanspraken door een pensioenfonds is toegestaan in het geval dat werkgevers op een gelijke wijze de mogelijkheid krijgen om ten behoeve van hun deelnemers bij te storten.

Bron: Gerechtshof Amsterdam 14 februari 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:550

you're currently offline

Share This