Wanneer een eindloonregeling is overeengekomen is de hoogte van het pensioen afhankelijk gesteld van het laatstelijk verdiende loon. De arbeidsduur van een aantal werknemers wijzigt kort voor hun pensioen van 36 naar 38 uur per week. De werknemers stellen op grond van de eindloonregeling dat hun pensioengrondslag over de gehele periode moet worden aangepast aan het hogere loon op basis van de 38 uur per week. Het pensioenfonds is het hiermee oneens. Hoe oordeelt de rechter?

Per 1 januari 2003 wijzigde de arbeidsduur van een aantal werknemers van 36 naar 38 uur per week, waarbij het salaris dienovereenkomstig werd verhoogd.

In deze zaak was sprake van een eindloonregeling. Bij een dergelijke regeling is de hoogte van het pensioen afhankelijk gesteld van het laatstverdiende loon. Volgens de werknemers moest de verhoging van het salaris leiden tot een verhoging van de pensioensgrondslag. Volgens hen gold als uitgangspunt dat iedere salarisverhoging leidt tot aanpassing van de pensioengrondslag over de gehele deelnemingsperiode.

Het pensioenfonds stelt dat, nu de salarisverhoging het gevolg is van een wijziging in de arbeidsduur, de pensioengrondslag niet over de gehele deelnemingsperiode hoeft te worden aangepast, maar dat bij de berekening van de pensioengrondslag tot 1 januari 2003 kan worden uitgegaan van een 36-urige werkweek en vanaf deze datum van een 38-urige werkweek. Aldus dient volgens het pensioenfonds een parttime percentage van 36/38 te worden toegepast. De vordering van de werknemers wordt door de kantonrechter afgewezen. Hoe oordeelt het hof?

Het geschil

In het geval van een eindloonregeling wordt de pensioenaanspraak over de gehele deelnemingsperiode in beginsel berekend op basis van de laatstelijk (over het jaar, waarin de pensionering plaatsvindt) vastgestelde pensioengrondslag. Het pensioenreglement geeft hierop echter als uitzondering dat “bij iedere wijziging in de overeengekomen wekelijkse arbeidsduur of van de normale wekelijkse arbeidsduur” de deelnemer in dat geval pensioen opbouwt overeenkomstig het aantal uren dat hij feitelijk werkt, door een correctie toe te passen op het aantal deelnemingsjaren. De vraag is of deze uitzondering in casu van toepassing is.

Het oordeel van het Hof

Het hof stelt voorop dat bij de uitleg van bepalingen uit een pensioenreglement de zogenaamde ‘cao-norm’ geldt. Dit brengt met zich dat bij de uitleg de bewoordingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van het reglement, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in het reglement gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke, tekstinterpretaties zouden leiden.

Met toepassing van de ‘cao-norm’ volgt volgens het hof uit het pensioenreglement dat in casu sprake is van een uitzondering op het beginsel dat pensioenaanspraak wordt berekend op basis van de laatstelijk vastgestelde pensioengrondslag. Dit betekent dat de door Pensioenfonds ter correctie toegepaste parttimebreuk juist is.

Het hof voegt hieraan toe dat de door werknemers voorgestane interpretatie van de diverse bepalingen van het reglement ertoe zou leiden dat zij over hun hele deelnemingstijd pensioenrechten krijgen alsof zij – in strijd met de werkelijkheid – ook vóór 1 januari 2003, 38 uur per week hebben gewerkt. Dat kan niet de bedoeling zijn, aldus het hof. De uitleg die Pensioenfonds voorstaat is aannemelijker, aangezien deze ertoe leidt dat werknemers over hun deelnemingsjaren tot 1 januari 2003 pensioen krijgen over het salaris dat zij verdienden met 36 uur per week werken en waarover zij toen daadwerkelijk pensioen opbouwden en over de jaren daarna over 38 uur per week. Het hof stelt het Pensioenfonds in het gelijk en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Uitleg pensioenreglement

Tot 2005 had het pensioenfonds in deze zaak een eindloonregeling. De vraag die partijen verdeeld hield, was of de uitbreiding van de arbeidsduur en het bijgevolg verhoogde salaris moest worden verwerkt in de pensioenopbouw van de werknemers tot 1 januari 2003. Met andere woorden, diende de salarisverhoging ook zijn uitwerking te krijgen op de reeds opgebouwde pensioenbedragen?

Hoewel dit bij een eindloonregeling in beginsel het geval is, oordeelt het hof in deze zaak anders. Het toepasselijke pensioenreglement bepaalde namelijk dat bij iedere wijziging in de overeengekomen arbeidsduur de deelnemer in dat geval pensioen opbouwt overeenkomstig het aantal uren dat hij feitelijk werkt. In dat geval dient een correctie toegepast te worden op het aantal deelnemingsjaren. Partijen verschilden van mening over de vraag hoe deze bepaling nu precies moest worden uitgelegd en of deze op de onderhavige situatie van toepassing was.

Nu bij de uitleg van de pensioenregeling volgens vaste rechtspraak de cao-norm moet worden gehanteerd, komt het primair aan op de bewoordingen van het reglement. Het hof concludeert dat de tekst zo moet worden uitgelegd dat werknemers over de periode dat zij 36 uur per week werkten ook op basis van dit aantal uren (dus een lager) pensioen opbouwden. Pas vanaf het moment dat zij 38 uur gingen werken, bouwden zij over het daarbij horende salaris pensioen op. Het hof vindt dit niet alleen de meest juiste uitleg op basis van de tekst, maar ook de meest aannemelijke uitleg.

Let op!

Als de tekst van een pensioenreglement niet geheel duidelijk is, kan dus ook worden gekeken naar de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van een bepaalde uitleg. Met andere woorden, bij de uitleg van pensioenreglementen speelt – gelukkig maar – ook het gezonde boerenverstand een rol.

Bron: Gerechtshof Amsterdam 3 november 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4511

Share This