De minister van Justitie en Veiligheid heeft een incident aangemerkt als dienstongeval, maar weigert aansprakelijkheid te erkennen. De Centrale Raad van Beroep heeft zich hierover gebogen en onlangs uitspraak gedaan. Wat betekenen de begrippen “dienstongeval” en “aansprakelijkheid” voor de rijksambtenaar en wat is het verschil?

In het ambtenarenrecht is altijd een rechtspositieregeling van toepassing op de betreffende ambtenaar. In het geval van de Rijksambtenaar is dat het Algemeen Rijksambtenarenreglement (het ARAR). Indien een ambtenaar schade lijdt in de uitvoering van zijn werkzaamheden, wordt er voor de vergoeding daarvan een onderscheid gemaakt tussen toepassing van de rechtspositieregeling (zoals aanmerking van een incident als een dienstongeval) en de vergoeding van schade over het algemeen.

Dienstongeval

De definitie van het dienstongeval is neergelegd in artikel 35 van het ARAR:

dienstongeval: een ongeval, dat in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;”

Lees in mijn blog “Wanneer is een dienstongeval een beroepsincident?” meer over de definitie en criteria van het dienstongeval voor de sector Rijk.

Erkennen van aansprakelijkheid

De ambtenaar kan ook een algemeen verzoek om schadevergoeding indienen bij de overheidswerkgever. Dit wordt vaak gezien als een verzoek om erkenning van ‘algemene aansprakelijkheid’. Deze ‘algemene erkenning van aansprakelijkheid’ is niet geregeld in een rechtspositieregeling. In de uitspraak van 22 juni 2000 (ECLI:NL:CRVB:2000:AB0072) heeft de Centrale Raad van Beroep (de Raad) de huidige norm voor ambtelijke werkgeversaansprakelijkheid geformuleerd:

“Voorzover zulks niet reeds voortvloeit uit de op de ambtenaar van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.”

De norm is gebaseerd op artikel 7:658 BW, de bepaling over werkgeversaansprakelijkheid in het civiele arbeidsrecht. Wanneer de ambtenaar een verzoek om schadevergoeding indient voor schade geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden – hetgeen de ambtenaar aannemelijk moet maken –, moet de overheidswerkgever kunnen aantonen dat hij niet nalatig is geweest in het voorkomen van de schade.

In andere woorden, de ambtelijk werkgever dient aannemelijk te maken dat hij zijn zorgplicht is nagekomen. Als dat niet het geval is, dient de overheidswerkgever de schade die de ambtenaar heeft geleden tijdens de dienst te vergoeden.

Uitspraak van de Raad van 22 november 2018

De zaak betrof een ambtenaar die in het kader van zijn werkzaamheden een verplichte weerbaarheidstraining moest volgen. Tijdens die training heeft de trainer een nekklem gedemonstreerd door deze toe te passen op de ambtenaar. De ambtenaar heeft daardoor schade opgelopen. De minister heeft dit incident aangemerkt als beroepsongeval, maar heeft het algemene verzoek om aansprakelijkheidserkenning afgewezen. In de uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de minister aan zijn zorgplicht heeft voldaan nu de trainingslocatie en materialen voldeden aan de daaraan gestelde eisen. Van betekenis acht de Raad dat de minister gebruik heeft gemaakt van een gekwalificeerd instructeur die de ambtenaar had gevraagd of er sprake was van lichamelijke klachten alvorens de nekklem op hem uit te oefenen. Ook had de ambtenaar zonder dwang deelgenomen aan de demonstratie en zou de oefening worden gestaakt nadat de ambtenaar op het bovenbeen van de instructeur had getikt – hetgeen ook is geschied. Er was ook geen sprake van een onrechtmatige handeling van de instructeur die aan de minister zou kunnen worden toegerekend. De minister heeft dus terecht het verzoek om erkenning van aansprakelijkheid afgewezen.

Tot slot: belang van het onderscheid

Het is dus mogelijk dat de overheidswerkgever wél een incident aanmerkt als dienstongeval – omdat het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens de uitoefening van de werkzaamheden – maar daarvoor geen algemene aansprakelijkheid erkent omdat de overheidswerkgever aan zijn zorgplicht heeft voldaan. Dit onderscheid is van belang aangezien het uitmaakt voor de omvang van de schadevergoedingsplicht.

Wordt een incident aangemerkt als een dienstongeval dan wordt de schade vergoed onder toepassing van de bepalingen van het ARAR. Deze vergoedingen zien met name op volledige doorbetaling van loon tijdens ziekte en het vergoeden van geneeskundige kosten. De vergoedingen waar de ambtenaar aanspraak op maakt zijn dus beperkt.

Op grond van de ‘algemene erkenning van aansprakelijkheid’ kan de ambtenaar alle schade vergoed krijgen die het gevolg is van het incident. Naast zaken als geneeskundige kosten kan dat bijvoorbeeld gaan over het verlies aan verdienvermogen of kosten voor huishoudelijke hulp. De algemene aansprakelijkheid is dus gunstiger voor de ambtenaar nu dat alle schade omvat. De ambtenaar vordert om die reden vaak naast de erkenning van een incident als dienstongeval ook aansprakelijkheid voor alle overige materiële en immateriële schade die niet op grond van de rechtspositie wordt vergoed; de zogenoemde restschade. Het is bij de vergoeding van schade dus altijd van belang om de verschillende aanspraken helder te hebben.

Bronnen

Share This