De Centrale Raad van Beroep heeft op 4 januari 2018 uitspraak gedaan in een kwestie waarin een overheidswerkgever weigerde een ongeval van een medewerker aan te merken als dienstongeval of beroepsincident. De kwalificatie van een ongeval als beroepsincident of dienstongeval is van belang voor de schadevergoedingsplicht van de werkgever. Wanneer is er sprake van een dienstongeval en wanneer van een beroepsincident?

Definities

De definities van het dienstongeval en het beroepsincident zijn voor de rijksambtenaar neergelegd in artikel 35 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR):

  • dienstongeval: een ongeval, dat in overwegende mate zijn oorzaak vindt in de aard van de aan de ambtenaar opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden, waaronder deze moesten worden verricht, en niet aan zijn schuld of onvoorzichtigheid is te wijten;
  • beroepsincident: een dienstongeval of beroepsziekte voortvloeiend uit een gevaarzettende situatie die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn taak waaraan de ambtenaar zich vanwege zijn specifieke functie niet kan onttrekken;

Uit de definities blijkt dat het beroepsincident een specifieke vorm van dienstongeval of beroepsziekte is. Laten we de criteria nader beschouwen.

Het dienstongeval

Een ongeval wordt alleen als een dienstongeval aangemerkt als er sprake is van juridische en medische causaliteit. Dit houdt in dat er een verband moet zijn tussen de uitoefening van de functie en het ongeval (juridische causaliteit) en de ontstane medische klachten moeten het gevolg zijn van de omstandigheden waaronder de werkzaamheden moesten worden verricht (medische causaliteit). De Raad heeft eerder geoordeeld (CrvB 23 januari 1997, ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6625, TAR 1997/44) dat een ongeval dat ook buiten de uitoefening van de werkzaamheden kan voorvallen, niet om die reden per definitie geen dienstongeval kan zijn. In andere woorden, zogenoemde ‘huis-tuin-en-keukenongevallen’ kunnen onder omstandigheden als dienstongeval aangemerkt worden.

Deze criteria zien we terug in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 4 januari 2018. De Raad heeft hierin de bestreden uitspraak van de rechtbank bevestigd. De zaak ging om een ambtenaar die voor zijn opleiding de training ‘Elementaire Zelfverdediging’ moest volgen. Na het afronden van zijn opleiding is hij zijn functie gaan uitoefenen.  Naderhand gaf de ambtenaar te kennen dat hij gedurende de training een schouderblessure had opgelopen. De ambtenaar heeft vervolgens verzocht het ongeval, en de daardoor opgelopen schouderblessure, aan te merken als dienstongeval. Zijn ambtelijk werkgever heeft bij besluit geweigerd het ongeval aan te merken als dienstongeval of beroepsincident nu de medisch adviseur vraagtekens plaatste bij de medische causaliteit. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een dienstongeval, omdat het tot de opgedragen werkzaamheden van de ambtenaar behoorde om een training te volgen waarvan de rechtbank het aannemelijk achtte dat het een verhoogd risico op ongevallen meebracht. Ten aanzien van de medische causaliteit oordeelde de rechtbank dat er geen aanknopingspunten zijn om te veronderstellen dat de klachten aan de schouder zich ook zonder het ongeval op korte termijn zouden hebben gemanifesteerd. Uit medische informatie volgt dat het ongeval een ‘luxerend effect’ heeft gehad. Dat houdt in dat het ongeval iets in werking heeft gezet met schouderklachten als gevolg. Op grond van het voorgaande is er volgens de rechtbank sprake van een dienstongeval in de zin van artikel 35 ARAR en niet van een beroepsincident.

Het beroepsincident

Het beroepsincident is een specifieke categorie dienstongevallen en beroepsziekten. Het beroepsincident betreft de dienstongevallen en beroepsziekten die zich voordoen bij het uitoefenen van functies in een bijzonder gevaarlijke, risicovolle omgeving waar de ambtenaar noodgedwongen aan wordt blootgesteld. Er moet dus een onlosmakelijk verband zijn tussen het gevaar of risico en het uitoefenen van de functie. Een voorbeeld hiervan is de penitentiaire inrichtingsmedewerker die wordt mishandeld door een gevangene. De situatie waarin een penitentiair medewerker bij een alarm rennend tegen een dichtvallend hek aanliep en daardoor letsel opliep, werd door de Raad echter als dienstongeval aangemerkt en niet als beroepsincident. Deze situatie was geen beroepsincident omdat er geen sprake was van een op voorhand gevaarzettende situatie.

Eenzelfde redenering geldt voor de omstandigheden die aan de orde waren in de uitspraak van de Raad van 4 januari 2018.* Het ongeval voltrok zich gedurende een voor het uitoefenen van de functie verplichte opleiding en voldoet aan de vereisten van het dienstongeval, maar niet aan de vereisten van een beroepsincident. De training bracht wel een verhoogd risico op ongevallen met zich mee, maar de ambtenaar werd in de trainingsruimte niet noodgedwongen blootgesteld aan een bijzonder gevaarlijke omgeving. Mijns inziens biedt een trainingsruimte in het algemeen juist een veilige leeromgeving. De conclusie van de rechtbank (en vervolgens de Raad) dat er in dit geval sprake is van een dienstongeval, maar niet van een beroepsincident komt dan ook niet als een verrassing.

Tot slot: waarom onderscheid?

Een dienstongeval hoeft dus geen beroepsincident te zijn, maar een beroepsincident is wel altijd een dienstongeval of beroepsziekte. Waarom is het van belang om het onderscheid te maken? Zoals in de inleiding al opgemerkt is de schadevergoedingsplicht van de ambtelijk werkgever afhankelijk van de kwalificatie van het ongeval. Bij het beroepsincident krijgt de ambtenaar op grond van artikel 69 lid 2 ARAR de volledige schade ten gevolge van het beroepsincident vergoed. In het geval van het dienstongeval of beroepsziekte, zal de ambtenaar voor het verkrijgen van schadevergoeding een afzonderlijk verzoek moeten indienen waarop volgend de schade zal moeten worden vastgesteld en begroot. Zowel voor ambtenaar als werkgever is het dus van belang om de kwalificaties juist te kunnen toepassen.

* N.B. De uitspraak van de rechtbank is niet gepubliceerd. De mogelijke aanmerking als  beroepsincident was in hoger beroep niet in geschil en derhalve niet geadresseerd door de Centrale Raad van Beroep.

Bronnen

you're currently offline

Share This