Een werkgever ontvangt in 2017 nota’s over de jaren 2010 en 2011 voor pensioenpremies. De werkgever weigert deze nota’s te betalen omdat hij van mening is dat ze verjaard zijn. In een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 november 2018 staat de vraag centraal wanneer de vorderingen ter zake van pensioenpremies zijn verjaard. Wilt u weten hoe de kantonrechter over deze kwestie oordeelde? Lees verder!

Wat speelde er?

De Stichting Raad voor Arbeidsverhoudingen Schoonmaak- en Glazenwassersbranche (RAS) heeft op 16 juli 2017 een aantal premienota’s over 2010 en 2011 aan een werkgever gestuurd. Er zat ruim 6 jaar tussen de premiejaren en het moment van het opleggen van premienota’s, omdat de werkgever de loongegevens over 2010 en 2011 pas in 2017 aan RAS had doorgegeven.

De werkgever is vervolgens een procedure gestart tegen de Stichting bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf. De pensioenpremies zijn weliswaar door RAS verstuurd maar in rekening gebracht door het bedrijfstakpensioenfonds waarbij de werkgever is aangesloten. Bij de kantonrechter heeft de werkgever onder meer betoogd dat de vorderingen ter zake van de pensioenpremies over 2010 en 2011 verjaard zijn.

Opeisbaarheid premievorderingen

Bij beantwoording van de vraag of een vordering verjaard is, moet worden gekeken naar de opeisbaarheid van de betreffende vordering. De verjaringstermijn gaat namelijk lopen vanaf het moment dat de vordering opeisbaar is.

In deze zaak is de werkgever van mening dat de opeisbaarheid ontstaat op het moment van het ontstaan van de premievordering. Het bedrijfstakpensioenfonds is echter van mening dat de opeisbaarheid (op zijn vroegst) ontstaat na het aanleveren van de juiste loongegevens, op basis waarvan de premienota’s zijn vastgesteld. Wie heeft er gelijk?

Oordeel van de kantonrechter

Voor beantwoording van de vraag wanneer de verjaringstermijn is gestart, zoekt de kantonrechter aansluiting bij het Uitvoeringsreglement Schoonmaak en het Uitvoeringsreglement RAS. In beide uitvoeringsreglementen is bepaald dat de premie betaald moet zijn binnen 14 dagen na de factuurdatum. De verjaringstermijn voor de op 16 juli 2017 verzonden premienota’s is daarom aangevangen op 30 juli 2017, zodat de vorderingen van het bedrijfstakpensioenfonds niet zijn verjaard.

Slotsom

Als een bedrijfstakpensioenfonds in een uitvoeringsreglement heeft vastgelegd dat premienota’s binnen een bepaalde termijn moeten worden voldaan, vangt de verjaringstermijn pas aan op het moment dat de premienota wordt opgelegd. Dit volgt niet alleen uit de hiervoor behandelde uitspraak. Zo hebben het Hof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2017:3886) en het Hof Den Haag (ECLI:NL:GHDHA:2018:570) ook voor de opeisbaarheid van de premienota’s aansluiting gezocht bij hetgeen in het uitvoeringsreglement daarover is vastgelegd. De onderhavige uitspraak is dan ook een bevestiging van de in de rechtspraak gekozen lijn.

Deze rechtspraak roept de vraag op of een bedrijfstakpensioenfonds de verjaring zelf kan “sturen”. Gelet op de lijn in de rechtspraak lijkt dit wel het geval. De verjaringstermijn begint immers pas te lopen vanaf het moment dat het bedrijfstakpensioenfonds de nota oplegt. Op basis van de onderhavige uitspraak kan echter ook gesteld worden dat de werkgever de verjaring kan “sturen” door loongegevens niet tijdig aan te leveren.

Het lijkt overigens ook niet onredelijk om, als dit in het uitvoeringsreglement is opgenomen, de verjaringstermijn te laten aanvangen op het moment dat een premienota wordt verzonden. Als de termijn eerder zou starten, zou dit betekenen dat werkgevers die zich niet melden, met een beroep op verjaring premies van langer dan vijf jaar geleden niet meer hoeven te betalen, terwijl hun werknemers wel aanspraak kunnen maken op pensioenopbouw over die periode.

Bronnen

you're currently offline

Share This