In een voor de arbeidsrecht- en HR-praktijk zeer relevante uitspraak heeft de Hoge Raad op 14 september 2018 geoordeeld dat een werknemer van wie het aantal arbeidsuren substantieel en structureel wordt verminderd, aanspraak maakt op een gedeeltelijke transitievergoeding, berekend over het aantal uren waarmee de arbeidsduur wordt verminderd. Denk hierbij aan vermindering van het aantal uren als gevolg van bedrijfseconomische redenen of vanwege langdurige gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (langer dan 104 weken). Lees in dit blog meer over de betekenis van deze uitspraak.

Wat is een “substantiële en structurele” vermindering van de arbeidsduur?

Met een “substantiële vermindering” bedoelt de Hoge Raad een vermindering van de arbeidstijd van ten minste twintig procent. Met een “structurele vermindering” bedoelt de Hoge Raad een vermindering die “naar redelijke verwachting blijvend” zal zijn. Een specifieke tijdsduur noemt de Hoge Raad hierbij niet. Als op het moment van de aanpassing duidelijk is dat de aanpassing voor een bepaalde termijn wordt gedaan, bestaat er mijns inziens in principe geen aanspraak op een transitievergoeding. Indien de aanpassing van de arbeidsduur op verzoek van de werknemer wordt gedaan, bestaat evenmin aanspraak op een transitievergoeding.

Aanspraak bestaat ongeacht de manier waarop de vermindering wordt gerealiseerd

Voor de aanspraak op de gedeeltelijke transitievergoeding maakt het niet uit hoe de vermindering van het aantal uren wordt gerealiseerd. Dit kan zijn door het beëindigen van de arbeidsovereenkomst gevolgd door een nieuwe arbeidsovereenkomst voor minder uren, of door een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De aanspraak op een transitievergoeding bestaat als gevolg van de uitspraak van de Hoge Raad echter ook als de werkgever en de werknemer in onderling overleg het aantal arbeidsuren aanpassen, zonder dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. En die situatie komt in de praktijk veel voor. Op grond van de letterlijke tekst van de wet (artikel 7:673 BW) bestaat in de situatie waarin het aantal arbeidsuren in onderling overleg wordt aangepast geen aanspraak op een transitievergoeding, omdat er in die gevallen formeel gezien geen sprake is van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad oordeelt nu dat er in dergelijke gevallen toch een aanspraak op een transitievergoeding bestaat.

Argumentatie Hoge Raad

De redenering die de Hoge Raad daarvoor geeft, is dat de werknemer door een substantiële en structurele vermindering van de arbeidstijd een deel van de transitievergoeding misloopt waarop hij bij een volledige beëindiging van de arbeidsovereenkomst wel aanspraak zou hebben gehad. Wordt de arbeidsovereenkomst op een later moment alsnog volledig beëindigd, dan wordt de uiteindelijke transitievergoeding een stuk lager dan wanneer de arbeidsduur niet zou zijn aangepast. Dit terwijl de reden voor de aanpassing van de arbeidsduur (als gevolg van bedrijfseconomische redenen of bij langdurige arbeidsongeschiktheid) niet voor rekening van de werknemer zou moeten komen. Dit rechtvaardigt volgens de Hoge Raad het toekennen van een gedeeltelijke transitievergoeding.

Hoe moet de transitievergoeding worden berekend?

De Hoge Raad overweegt dat de gedeeltelijke transitievergoeding berekend moet worden naar evenredigheid van de vermindering van de arbeidstijd en uitgaande van het loon waarop voorheen aanspraak bestond.

Benieuwd wat deze uitspraak voor uw praktijk betekent? Neem dan contact met de auteur op.

Bron: Hoge Raad 14 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1617

 

you're currently offline

Share This